ECLI:NL:GHARN:2007:BD6993

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
19 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AVNR: 782-07
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Raadkamer
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 89 Wetboek van StrafvorderingArt. 258 Wetboek van StrafvorderingArt. 313 Wetboek van StrafvorderingArt. 314a Wetboek van StrafvorderingArt. 285 Wetboek van Strafvordering
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling niet-ontvankelijkheid verzoek vergoeding voorlopige hechtenis op grond van artikel 89 Sv

Appellant heeft een verzoek ingediend op grond van artikel 89 van Pro het Wetboek van Strafvordering voor vergoeding van schade door voorlopige hechtenis. De rechtbank Utrecht verklaarde appellant niet-ontvankelijk omdat de zaak niet was geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel. Appellant was vrijgesproken van enkele tenlastegelegde feiten en veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht weken voor andere feiten.

Het hof overweegt dat de term “zaak” in artikel 89 Sv Pro dezelfde betekenis heeft als in artikel 258 Sv Pro en dat alle feiten die op de dagvaarding staan samen de zaak vormen. Omdat er straf is opgelegd voor enkele feiten, is de zaak niet geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel. Daarom kan geen vergoeding worden toegekend voor de voorlopige hechtenis ten aanzien van andere feiten die enkel wegens proceseconomische redenen zijn gevoegd.

Het hof bevestigt de beschikking van de rechtbank en verklaart appellant niet-ontvankelijk in zijn verzoek. De beslissing is genomen in openbare raadkamer te Arnhem op 19 november 2007 door drie raadsheren.

Uitkomst: Appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek om vergoeding op grond van artikel 89 Wetboek van Strafvordering.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM
zitting houdende te Arnhem
Pkn: 16/604202-06
Avnr: 000782-07
Het gerechtshof heeft te beslissen op het hoger beroep ingesteld door:
[naam appellant],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
domicilie kiezende te [plaats], [straat], ten kantore van zijn raadsman,
hierna te noemen appellant.
Het hoger beroep is ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank Utrecht van 23 januari 2007, onder meer houdende de beslissing op een verzoek ex artikel 89 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
Het hof heeft gehoord in openbare raadkamer van 22 oktober 2007 de advocaat-generaal en namens appellant mr. [naam raadsman], advocaat te [plaatsnaam].
Appellant is hoewel behoorlijk opgeroepen niet verschenen.
Het hof heeft kennis genomen van:
- het verzoekschrift van appellant, ingediend op 24 november 2006 ter griffie van de rechtbank Utrecht door mr. [naam raadsman] voornoemd;
- het proces-verbaal van de behandeling van het verzoek door de rechtbank van 9 januari 2007;
- voormelde beschikking van de rechtbank;
- de akte rechtsmiddel van 24 januari 2007 opgemaakt door de griffier van de rechtbank te Utrecht, waarbij namens appellant hoger beroep werd ingesteld tegen voormelde beschikking;
- de brief van 25 oktober 2007 met als bijlage de detentiekaart die de advocaat-generaal - met instemming van de raadsman- aan het hof heeft toegezonden;
- de brief van mr. [naam raadsman], gedateerd 29 oktober 2007, zijnde de reactie op de detentiekaart;
- de overige zich in het dossier bevindende stukken.
OVERWEGINGEN
1. Het hoger beroep is tijdig ingesteld. Appellant kan in zoverre daarin worden ontvangen.
2. Het hof zal bij separate beschikking beslissen op het beroep voor zover dat betreft de beslissing op het verzoek ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering.
3. Bij de beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank beslist dat appellant niet-ontvankelijk is in zijn verzoek, nu niet gezegd kan worden dat de zaak is geëindigd op een wijze als bedoeld in artikel 89, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering.
4. Appellant is bij onherroepelijk vonnis van de rechtbank Utrecht van 20 oktober 2006 van het onder 1, 3, 4, 5 en 6 primair tenlastegelegde vrijgesproken, ten aanzien van het onder 6 subsidiair bewezenverklaarde, zware mishandeling, ontslagen van alle rechtsvervolging, en ten aanzien van het onder 2 en 7 bewezenverklaarde, namelijk opzettelijk en wederrechtelijk enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen respectievelijk mishandeling, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht weken.
5. Appellant heeft als grief tegen de beschikking waarvan beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte geen vergoeding ex artikel 89 van Pro het Wetboek van Strafvordering heeft toegekend, omdat er, hoewel appellant ter zake van het onder 2 en 7 bewezenverklaarde straf is opgelegd, gronden van billijkheid aanwezig zijn om een vergoeding ex artikel 89 van Pro het Wetboek van Strafvordering toe te kennen voor de tijd, die appellant ten aanzien van het onder 6 tenlastegelegde in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, nu de zaken enkel wegens proceseconomische redenen zijn gevoegd.
6. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bevestiging van de beschikking waarvan beroep.
7. Op grond van het bepaalde in artikel 89 en Pro verder van het Wetboek van Strafvordering kan de rechter aan de gewezen verdachte, in het geval de zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel of met zodanige oplegging, doch op grond van een feit waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten, en de rechter daarvoor – alle omstandigheden in aanmerking genomen – gronden van billijkheid aanwezig acht, een vergoeding toekennen voor schade die hij heeft geleden ten gevolge van ondergane verzekering en voorlopige hechtenis.
8. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dient in het geval dat een onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden, onder “zaak” als bedoeld in artikel 258, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering te worden verstaan “al datgene waarop het rechtsgeding betrekking had”. De term “zaak” in de zin van artikel 89 van Pro het Wetboek van Stafvordering heeft, nu er sprake is geweest van een onderzoek ter terechtzitting, dezelfde betekenis als in artikel 258, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, met dien verstande dat na de inleidende dagvaarding de grenzen nadien nader kunnen worden bepaald door wijziging van de tenlastelegging op de voet van de artikelen 313-314a van het Wetboek van Strafvordering en/of voeging onderscheidenlijk splitsing op de voet van artikel 285 van Pro het Wetboek van Strafvordering. Indien er meerdere feiten op de dagvaarding staan, dan vormen die feiten de zaak, ook al bestaat tussen die feiten onderling geen verband.
9. Uit hetgeen onder 4. is overwogen, volgt dat de zaak niet is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel of met zodanige oplegging, doch op grond van een feit waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten. In het licht van hetgeen hiervoor onder 8 is overwogen ziet het hof geen ruimte om feit 6 waarvoor geen straf of maatregel is opgelegd, als een andere zaak te beschouwen. Appellant dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn verzoek. Het hof zal daarom de beschikking waarvan beroep voor zover deze betreft de beslissing op het verzoek ex artikel 89 van Pro het Wetboek van Strafvordering bevestigen.
BESCHIKKENDE
Het hof:
- bevestigt de beslissing waarvan beroep, voor zover deze betreft de beslissing op het verzoek ex artikel 89 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
Deze beschikking is gegeven te Arnhem door mrs. E.A.K.G. Ruys, voorzitter, A. van Waarden en P.H.A.J. Cremers, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. N.M.H. van Ek, griffier, ondertekend door de voorzitter en de griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 19 november 2007.