4. Beoordeling van het geschil
4.1. Ingevolge artikel 42, vijfde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB 1964), rust op belanghebbende de bewijslast aan te tonen dat hij met het voertuig in het onderhavige jaar minder dan 1000 kilometer privé heeft gereden.
4.2. De Inspecteur stelt dat de kilometeradministratie van belanghebbende onder meer door de aanwezigheid van een kto in het voertuig ondeugdelijk en materieel onbetrouwbaar is. De bewijslast van de aanwezigheid van een kto rust op de Inspecteur.
4.3. Belanghebbende stelt dat op 29 mei 1998 in het bedrijf D alleen een taxameter in het voertuig is ingebouwd, een daklichtrelais is vervangen en een 1e en 2e fasekeuring is verricht. Hij betwist dat op die datum een kto in het voertuig is ingebouwd.
4.4. In dezen staat vast dat:
- D zich bezig hield met de inbouw van zowel taxameters als kto’s;
- in de agenda van D afspraken met betrekking tot de inbouw van een kto werden aangeduid met het woord “diverse(n)” of met een afkorting daarvan;
- een van de medewerkers van D die de kto’s inbouwde hiervan aantekeningen bijhield in een schrift.
4.5. Gelet op de onder 2.7 van de vaststaande feiten vermelde aantekeningen – in zowel de agenda van het inbouwbedrijf D als in het schrift van de onder 2.8 vermelde medewerker – die betrekking hebben op de aan belanghebbendes voertuig met vergunningnummer 000 te verrichten en verrichte werkzaamheden op 29 mei 1998, acht het Hof het aannemelijk dat op die datum in het voertuig van belanghebbende een kto is ingebouwd. Het Hof acht – gelet op het inbouwen van een kto en de daarmee gepaard gaande kosten – het voorts aannemelijk dat de kto in het onderhavige jaar is gebruikt om een deel van de daadwerkelijk met het voertuig gereden kilometers niet door de kilometerteller te laten registreren. De aan de kilometerstand te ontlenen stand is als gevolg daarvan niet betrouwbaar, zodat aan de registratie door en de tussenstanden van de kilometerteller geen waarde kan worden gehecht als zijnde redelijk objectiveerbare gegevens aan de hand waarvan kan worden aangetoond dat het voertuig in 1999 voor minder dan 1000 kilometer voor privédoeleinden is gebruikt.
4.6. Een onder 2.5 vermelde wijze van administreren aan de hand van een geijkte taxame-ter is in beginsel voor het terzake van het gebruik als taxi te leveren bewijs aanvaardbaar indien de aldus verreden en op de rittenkaarten genoteerde kilometers aansluiten op de stand van de in de auto aanwezige kilometerteller en voorts deze kilometertellerstand objectief controleerbaar is door aansluiting op derden, zoals garagebedrijven, vastgelegde kilometer-standen.
Nu aan de stand van de aanwezige kilometerteller, zoals hiervoor overwogen, niet betrouw-baar is, kan deze niet dienen ter onderbouwing van de kilometeradministratie. Nu aan de stand van de aanwezige kilometerteller, zoals hiervoor is overwogen, geen waarde kan worden gehecht, kan de door belanghebbende gevoerde administratie niet dienen als bewijs dat de auto op jaarbasis voor minder dan 1000 kilometer voor privédoeleinden is gebruikt. Hierbij speelt ook een rol dat de op basis van de taxameter bijgehouden kilometeradministra-tie ten opzichte van de door de garage genoteerde standen niet afdoende verklaarde verschil-len vertoont.
Ook anderszins heeft belanghebbende het van hem verlangde bewijs niet geleverd.
4.7. Belanghebbende heeft geen afzonderlijke klachten aangevoerd tegen de hem opgeleg-de boete. Het Hof acht deze boete in overeenstemming met de desbetreffende regelgeving. Het Hof acht de hoogte van de boete, zoals deze na de bestreden uitspraak in stand is geble-ven, gelet op de aard van het vergrijp en de hoogte van het nageheven bedrag, passend en geboden.
4.8. Met inachtneming van bovenstaande gronden die het oordeel van de Rechtbank deels verbeteren en deels aanvullen, heeft de Rechtbank het beroep van belanghebbende terecht ongegrond verklaard.