4. Beoordeling van het geschil
4.1 De rechtsstrijd van partijen is in deze verwijzingsprocedure beperkt tot het antwoord op de vraag hoe lang de vanaf het tijdstip van aanschaf door belanghebbende te schatten bouwkundige levensduur van de woning bedraagt. De kostprijs (€ 190.000) en de restwaarde (nihil) van de woning zijn niet in geschil.
4.2 Belanghebbende, op wie te dezen – in beginsel – de bewijslast rust, heeft primair gesteld dat bedoelde bouwkundige levensduur 33 jaar en subsidiair 50 jaar bedraagt. Daartoe heeft zij onder meer aangevoerd dat in de vakliteratuur wordt uitgegaan van een afschrijving van 2,5% - 3% op monumentenpanden, dat weliswaar voor die panden een wettelijke in-standhoudingsverplichting geldt, maar geen onderhoudsverplichting zodat een (snellere) afschrijving wegens waardedaling gerechtvaardigd is, en dat in de bouwwereld wordt uitge-gaan van een levenscyclus voor woningen van 30 jaar.
4.3 In het licht van de – door de Inspecteur aangevoerde – omstandigheden dat uit wette-lijke regelgeving (Monumentenwet 1988) een instandhoudingsverplichting voor monumen-tenwoningen volgt, de woning al meer dan 234 jaar in stand is gehouden, belanghebbende zelf in 2003 aan de woning restauratiewerkzaamheden heeft laten verrichten en – toevoeging van het Hof – dat , naar belanghebbende heeft gesteld, de woning ook in de jaren negentig van de vorige eeuw geheel is gerenoveerd, deelt het Hof de conclusie van de Inspecteur dat de woning zeer goed wordt onderhouden en een zeer lange levensduur kent. In dat licht bezien, acht het Hof belanghebbende niet erin geslaagd haar stellingen inzake de te schatten (resterende) bouwkundige levensduur aannemelijk te maken. De door haar genoemde argu-menten en hetgeen zij overigens nog heeft aangevoerd, doen aan deze conclusie niet af.
4.4 Hiermee is evenwel niet gezegd dat het Hof de visie van de inspecteur deelt. Op de resterende bouwtechnische levensduur van monumentenpanden als het onderhavige zijn over het algemeen vele onzekere factoren van invloed. De door de Inspecteur – die aanvankelijk abusievelijk was uitgegaan van een forfaitaire bepaling van de afschrijvingskosten – gemaak-te schatting op (ten minste) 343 jaar, acht het Hof – zonder nadere onderbouwing die echter ontbreekt – evenmin aannemelijk (opgemerkt zij dat de totale bestaansduur van het object in de visie van de Inspecteur ten minste 577 jaar zou bedragen) en in dit verband voorts niet redelijk, aangezien aan die schatting kennelijk louter ten grondslag ligt het – forfaitair be-paalde – bedrag dat bij de aanslagregeling in aanmerking is genomen.
4.5 Daarom zal het Hof het geschil in goede justitie beslechten. Het Hof acht, gelet op hetgeen door partijen over en weer is aangevoerd, het redelijk om te dezen uit te gaan van een resterende bouwkundige levensduur van de woning van 100 jaar. Dit betekent dat be-langhebbende in het onderhavige jaar een afschrijving in aanmerking kan nemen van één percent van € 190.000 is € 1.900.
4.6 Dit leidt tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van: (€ 66.555 min € 1.345 [te weten € 1.900 min € 555] =) € 65.210. Hierop dient voorts nog in mindering te worden gebracht het bedrag van € 51 dat door de Inspecteur in verband met de lagere afschrijving op de woning is gecorrigeerd op de door belanghebbende geclaimde giftenaftrek, aangezien de drempel van de giftenaftrek niet wordt beïnvloed door een correctie op in aftrek gebrachte uitgaven voor monumentenpanden (verwezen wordt naar artikel 6.39, eerste lid, van de Wet). Het belastbare inkomen uit werk en woning dient derhalve nader te worden vastgesteld op € 65.159.