ECLI:NL:GHARN:2008:BD5962
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- P.M. van Schie
- J. Lamens
- J. van de Merwe
- Rechtspraak.nl
Beoordeling tijdigheid bezwaarschrift tegen aanslag en boetebeschikking inkomstenbelasting 2002
Belanghebbende kreeg op 8 november 2005 een aanslag inkomstenbelasting voor 2002 opgelegd met een verzuimboete. Hij diende een bezwaarschrift in dat volgens de Inspecteur pas op 30 januari 2006 werd ontvangen, na de termijn van zes weken. Belanghebbende stelde dat hij het bezwaar al op 14 november 2005 had ingediend bij een beveiligingsbeambte, maar kon dit onvoldoende bewijzen.
De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond wegens termijnoverschrijding. In hoger beroep bevestigde het Hof deze beslissing. Het Hof oordeelde dat het bewijs van tijdige indiening ontbrak en dat de eerdere versie van de brief van 28 januari 2006 waarin geen melding van het eerdere bezwaar werd gemaakt, dit versterkte.
Het Hof stelde vast dat de bezwaartermijn voor de aanslag en de boetebeschikking afzonderlijk moet worden beoordeeld. Voor het bezwaar tegen de boete is artikel 6 EVRM Pro wel van toepassing, maar ook hier werd onvoldoende bewijs geleverd dat het bezwaar tijdig was ingediend. Er waren geen omstandigheden die een verschoonbare termijnoverschrijding aannemelijk maakten.
De conclusie was dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk werd verklaard en dat het beroep ongegrond was. Het Hof bevestigde daarmee de uitspraak van de Rechtbank.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt dat het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend en verklaart het beroep ongegrond.