ECLI:NL:GHARN:2008:BE8606
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling nietigheid koop pachtrechten en toepassing Pachtwet en BW
In deze zaak staat centraal de vraag of het beding in de overeenkomst van 8 mei 2001, waarbij een koopsom voor pachtrechten is overeengekomen, nietig is op grond van artikel 71 lid 1 Pachtwet Pro (nu 7:399c lid 1 BW). Het hof bevestigt dat deze bepaling alleen van toepassing is indien de hogere tegenprestatie ná goedkeuring door de grondkamer wordt bedongen, en niet wanneer dit voorafgaat.
De feiten betreffen een overeenkomst waarbij appellant percelen grond en pachtrechten kocht van geïntimeerden, met afspraken over pachtovereenkomsten die later door de grondkamer werden goedgekeurd. Appellant vorderde vernietiging van het beding wegens strijd met de Pachtwet en terugbetaling van een sleutelgeldbedrag.
Het hof overweegt dat een voorovereenkomst waarbij een toekomstige verpachter zich verplicht tot het aangaan van een pachtovereenkomst en daarvoor een tegenprestatie bedingt, niet per definitie verboden is, tenzij deze tegenprestatie een vergoeding betreft die het toetsingssysteem van pachtprijzen ontduikt. In dit geval is de bedongen vergoeding bij benadering gelijk aan de beëindigingsvergoeding die aan de vorige pachter is betaald, hetgeen toelaatbaar is.
Appellant was op de hoogte van het feit dat een vergoeding aan de vorige pachter was betaald, en het hof acht het niet aannemelijk dat het overeengekomen bedrag onredelijk hoog was. Het bewijsaanbod van appellant wordt gepasseerd omdat het niet leidt tot een andere beslissing.
Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en veroordeelt appellant in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en verklaart het beding in de koop van pachtrechten niet nietig.