ECLI:NL:GHARN:2008:BG2156
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over totstandkoming autoverzekering en zorgplicht assurantietussenpersoon
Appellanten vorderen in hoger beroep dat het hof oordeelt dat er een verzekeringsovereenkomst is gesloten tussen hen en Ten Hag voor een autoverzekering, en dat Ten Hag aansprakelijk is voor de schade die voortvloeit uit het niet tot stand komen van deze verzekering.
De kern van het geschil betreft een telefoongesprek van 25 februari 2004, waarbij appellanten stellen dat Ten Hag zonder meer een WAM-verzekering heeft toegezegd zonder dat een ingevuld aanvraagformulier nodig was. Ten Hag betwist dit en stelt dat de aanvraag nog niet was afgerond omdat het ingevulde formulier niet was ontvangen. Tevens is onduidelijk of een herinneringsbrief van 24 maart 2004 door appellanten is ontvangen.
De rechtbank oordeelde eerder dat geen verzekeringsovereenkomst tot stand was gekomen en dat appellanten niet mochten vertrouwen op dekking. Het hof bevestigt dat het bewijs ontbreekt dat het aanvraagformulier retour is ontvangen en dat stilzwijgen van Ten Hag niet leidt tot een overeenkomst. Wel heeft Ten Hag voldaan aan haar zorgplicht door het verzenden van een herinneringsbrief, waarvan het hof aannemelijk acht dat appellanten deze hebben ontvangen. Het hof staat appellanten toe bewijs te leveren van toezeggingen en afspraken die zij hebben gemaakt omtrent de verzekering.
De zaak wordt aangehouden voor nadere bewijslevering en comparitie om te onderzoeken of partijen tot overeenstemming kunnen komen over de schade en aansprakelijkheid. Ten Hag wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar incidenteel appel, en appellanten worden niet-ontvankelijk verklaard in hun principaal appel tegen het tussenvonnis van 11 januari 2006.
Uitkomst: Appellanten worden niet-ontvankelijk verklaard in hun principaal appel en Ten Hag in haar incidenteel appel; de zaak wordt aangehouden voor nadere bewijslevering.