ECLI:NL:GHARN:2008:BG7055
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vergoeding pachtersinvesteringen en toepassing billijkheid bij pacht
In deze zaak stond de omvang van de vergoeding voor pachtersinvesteringen centraal, waarbij het oude recht van toepassing was omdat de vorderingsrechten per 7 maart 2001 zijn ontstaan. Het geschil betrof onder meer de vraag of een biggenschuur (gebouw 2A) onder de vergoeding viel, de wijze van vaststelling van de kosten, en de toepassing van billijkheid zoals bedoeld in artikel 31 Pachtwet Pro.
Het hof oordeelde dat appellant niet vergoedingsplichtig is voor gebouw 2A, omdat dit een ander bouwjaar en functie heeft dan de loods en niet onder de overeenkomst viel. De vergoeding voor de verbeteringen werd vastgesteld op basis van een bedrijfseconomische benadering, waarbij niet alleen boekhoudkundige afschrijvingen maar ook restwaarde en andere factoren werden meegenomen. De billijkheid kan geen hogere vergoeding opleggen dan het verschil tussen de gemaakte kosten en het genoten voordeel.
De deskundigen hadden de bouwkosten en het gebruik gespecificeerd, waarbij de bouwkosten van de zeugenstal voorlopig werden gesteld op ƒ 225.000 met een restant van €34.033,52 na aftrek van het genoten voordeel. Het totaal van de vergoeding voor pachtersinvesteringen werd vastgesteld op €53.033,52. Daarnaast werd de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten afgewezen wegens onvoldoende redelijkheid.
Het hof stelde partijen in de gelegenheid zich uit te laten over de schatting van de bouwkosten van de zeugenstal en gaf aan dat zij een minnelijke regeling konden overwegen. De uitspraak bevestigt de grenzen die artikel 31 Pachtwet Pro stelt aan de vergoeding en benadrukt de toepassing van een bedrijfseconomische benadering.
Uitkomst: Het hof wees een vergoeding van €53.033,52 toe voor pachtersinvesteringen en wees de vordering tot buitengerechtelijke incassokosten af.