ECLI:NL:GHARN:2008:BH1330
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Huurrecht voor onbepaalde tijd bevestigd ondanks stelling levenslang huurrecht
In deze zaak stond centraal of een huurovereenkomst tussen partijen was aangegaan voor onbepaalde tijd of voor het leven. De kantonrechter had geoordeeld dat sprake was van een huur voor het leven, maar het hof vernietigde dit vonnis en oordeelde anders.
Het hof baseerde zich op de schriftelijke huurovereenkomst van 14 juli 1998, waarin was bepaald dat de huurovereenkomst na een initiële periode van één jaar voor onbepaalde tijd zou gelden. De geïntimeerden stelden dat zij een levenslang huurrecht hadden, maar het hof vond dat zij dit niet voldoende hadden bewezen. Het bewijsaanbod in hoger beroep werd gepasseerd omdat niet concreet was aangegeven welk aanvullend bewijs nog geleverd zou worden.
Getuigenverklaringen werden kritisch gewogen, waarbij het hof oordeelde dat de verklaringen onvoldoende sterk en essentieel waren om de beperkingen van artikel 164 Rv Pro te doorbreken. De stelling dat de verhuurder een toezegging had gedaan voor levenslang huurrecht werd niet aannemelijk gemaakt.
Het hof concludeerde dat de huurovereenkomst een overeenkomst voor onbepaalde tijd is, opzegbaar met inachtneming van wettelijke bepalingen. De grieven van appellanten werden gegrond verklaard, het vonnis van de kantonrechter vernietigd en de gevorderde verklaring voor recht toegewezen. Geïntimeerden werden veroordeeld in de proceskosten van beide instanties.
Uitkomst: De huurovereenkomst wordt aangemerkt als een overeenkomst voor onbepaalde tijd en niet als een huurovereenkomst voor het leven.