ECLI:NL:GHARN:2009:BI2447
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake niet-ontvangen ingebrekestelling en gevolgen van meineed in aannemingsovereenkomst
In deze civiele zaak in hoger beroep stond centraal of appellant aannemingsbedrijf [voorganger geïntimeerde] schriftelijk in gebreke had gesteld en of deze ingebrekestelling was ontvangen. Appellant stelde herstelkosten en incassokosten te vorderen wegens tekortkomingen in de uitvoering van werkzaamheden. Tevens speelde de vraag of de meineed gepleegd door de directeur van geïntimeerde gevolgen had voor de civiele vorderingen.
Het hof oordeelde dat appellant niet voldeed aan zijn bewijslast dat de ingebrekestelling daadwerkelijk was ontvangen door geïntimeerde. De verklaringen van appellant en zijn zoon waren onvoldoende ondersteund door aanvullend bewijs, terwijl getuigen van geïntimeerde ontkenden ontvangst. Hierdoor werd aangenomen dat geïntimeerde niet in gebreke was gesteld, en werden de vorderingen tot herstelkosten en incassokosten afgewezen.
Verder werd vastgesteld dat de meineed van de directeur weliswaar een onrechtmatige daad vormde, maar dat er geen causaal verband bestond tussen deze meineed en de civiele veroordeling van appellant tot betaling van meerwerk. De executie van het vonnis was daarom niet onrechtmatig. Wel werd een deel van de restitutievordering van appellant toegewezen, met rentevergoeding. De proceskosten werden verdeeld en het hoger beroep deels toegewezen en deels afgewezen.
Uitkomst: Het hof wijst herstel- en incassokosten af, kent gedeeltelijke restitutie toe en bekrachtigt grotendeels het vonnis van de rechtbank.