ECLI:NL:GHARN:2009:BJ0914
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige daad door onverwachte slingerbeweging bij fietsongeval tussen vader en zoon
Op 22 mei 1995 vond een fietsongeval plaats waarbij appellant ten val kwam nadat zijn zoon, cedent, een onverwachte slingerbeweging naar links maakte. Dit leidde tot een botsing tussen het voorwiel van appellant en het achterwiel van zijn zoon, met letsel tot gevolg. Appellant stelde dat RVS, de aansprakelijkheidsverzekeraar, aansprakelijk was voor de schade.
De rechtbank had de vorderingen van appellant afgewezen omdat geen onrechtmatig handelen van de zoon was vastgesteld. In hoger beroep stelde appellant dat de zoon onrechtmatig had gehandeld door in strijd met verkeersregels een onverwachte beweging te maken. RVS voerde verweer met onder meer eigen schuld van appellant wegens te dicht op zijn zoon fietsen.
Het hof stelde vast dat de toedracht van het ongeval voorshands vaststaat en dat de zoon onrechtmatig handelde door een onverwachte slingerbeweging te maken, wetende dat zijn vader dicht achter hem fietste. De kans op een ongeval en ernstig letsel was daardoor groot. Het hof verwierp het verweer dat sprake was van een sport- of spelsituatie en oordeelde dat RVS tegenbewijs mocht leveren over eigen schuld van appellant.
Het hof verklaarde appellant niet-ontvankelijk in zijn vorderingen uit eigen hoofde, maar wel ontvankelijk als cessionaris van de zoon. Het hof hield verdere beslissing aan en bepaalde dat getuigenverhoren zouden plaatsvinden om bewijs te leveren. De zaak werd verwezen naar nader bewijs en verdere procedure.
Uitkomst: Het hof oordeelt dat de zoon onrechtmatig handelde, verklaart appellant niet-ontvankelijk uit eigen hoofde, maar ontvankelijk als cessionaris en staat RVS toe bewijs te leveren over eigen schuld en tegenbewijs.