ECLI:NL:GHARN:2009:BJ1323
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verzoek tot schadevergoeding wegens niet geëindigde strafzaak na voeging
Verzoeker was in twee strafzaken (zaak A en zaak B) betrokken die door het hof werden gevoegd vanwege een rechtens relevant verband. Zaak A betrof een vrijspraak na voorlopige hechtenis, zaak B een veroordeling eveneens na voorlopige hechtenis. Verzoeker vroeg vergoeding van onrechtmatige detentie in zaak A op grond van artikel 89 en Pro 591a Sv.
Het hof oordeelde dat ondanks de vrijspraak in zaak A, deze zaak niet als geëindigd kan worden beschouwd zolang het cassatieberoep tegen de veroordeling in zaak B loopt. De zaken maken deel uit van één arrest dat nog niet onherroepelijk is. De vaste jurisprudentie van de Hoge Raad bepaalt dat de term 'zaak' betrekking heeft op het gehele rechtsgeding, inclusief alle feiten waarop het betrekking heeft.
Daarom is het verzoek tot schadevergoeding niet ontvankelijk verklaard. De zaak is pas geëindigd wanneer de Hoge Raad onherroepelijk beslist over de veroordeling in zaak B of het cassatieberoep wordt ingetrokken. Het hof verwierp het standpunt van verzoekers advocaat dat door het cassatieberoep de zaken gesplitst zouden zijn en zaak A geëindigd.
Het verzoek tot schadevergoeding en vergoeding van kosten werd afgewezen omdat de wettelijke voorwaarden voor het indienen van het verzoek niet vervuld waren. Het hof baseerde zich op de wettelijke bepalingen en vaste jurisprudentie over het begrip 'zaak' in strafprocedures.
Uitkomst: Verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot schadevergoeding omdat de strafzaak nog niet is geëindigd.