Uitspraak
[woonplaats], zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.
14 november 1989.
Hoge Raad
In deze zaak stond de uitleg van het begrip 'de zaak' in artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering centraal, met name wanneer sprake is van beëindiging zonder oplegging van straf of maatregel. De vice-president van de rechtbank had geoordeeld dat verzoeker recht had op vergoeding voor vrijspraak van bepaalde feiten, ondanks dat hij voor andere feiten was veroordeeld.
De Hoge Raad stelde dat 'de zaak' in artikel 591a Sv moet worden opgevat als het gehele rechtsgeding waarop het onderzoek betrekking heeft. Dit omvat alle feiten die cumulatief aan de rechter zijn voorgelegd binnen de grenzen van de dagvaarding en eventuele wijzigingen daarvan. De zaak is pas geëindigd als de rechter onherroepelijk uitspraak heeft gedaan over alle feiten.
Omdat verzoeker voor een deel van de feiten was veroordeeld, kon niet worden gezegd dat de zaak was geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel. Daarom was de vice-president van de rechtbank uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting en had verzoeker niet-ontvankelijk verklaard moeten worden in zijn verzoek tot vergoeding.
De Hoge Raad vernietigde de bestreden beschikking in het belang der wet en verklaarde verzoeker niet-ontvankelijk, zonder dat dit nadelige gevolgen had voor reeds verkregen rechten.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot vergoeding op grond van artikel 591a Sv.