ECLI:NL:GHARN:2009:BJ9751
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vastleggingsvordering pachtovereenkomst wegens onvoldoende belang en verjaring
In deze civiele zaak stond centraal of de pachter recht had op vastlegging van een pachtovereenkomst en een aanspraak op schadevergoeding jegens de verpachter. De pachter had brieven overgelegd die volgens hem een schriftelijke mededeling vormden waarin hij zijn recht op nakoming voorbehoudt, bedoeld in artikel 3:317 BW Pro. Het hof oordeelde echter dat deze brieven niet ondubbelzinnig waren en dat de verjaringstermijn van vijf jaar niet tijdig was gestuit.
De brieven van januari 2002 waren een reactie op een sommatie van de verpachter om zaken van diens terrein te verwijderen en bevatten slechts een algemeen voorbehoud van rechten, zonder concrete verwijzing naar de schadevergoedingsaanspraak. Het hof vond dat de verpachter hierdoor niet duidelijk op de hoogte was gesteld dat de pachter zijn rechten ook na het verstrijken van de verjaringstermijn wilde behouden.
Omdat de verjaring niet tijdig was gestuit, was de schadevergoedingsvordering van de pachter gedoemd te mislukken. De vastleggingsvordering, die alleen was gebaseerd op het voornemen tot schadevergoeding, werd daarom afgewezen wegens onvoldoende belang. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde de pachter in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof wijst de vastleggingsvordering af wegens onvoldoende belang en niet tijdig gestuit verjaring.