ECLI:NL:GHARN:2009:BK6119

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
17 november 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/00027
Instantie
Gerechtshof Arnhem
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 34 Wet op de omzetbelasting 1968Art. 36 Wet op de omzetbelasting 1968Art. 31 Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gerechtshof vermindert naheffingsaanslag en boete omzetbelasting paardenbranche

Een ondernemer in de paardenbranche kreeg een naheffingsaanslag omzetbelasting en een verzuimboete opgelegd door de Inspecteur. De rechtbank verklaarde het beroep tegen de naheffingsaanslag ongegrond en mat de boete iets. De ondernemer stelde hoger beroep in bij het Gerechtshof Arnhem.

Het geschil betrof de aftrekbaarheid van voorbelasting op facturen die deels betrekking hadden op belaste prestaties en deels op vrijgestelde prestaties en privé-uitgaven. De rechtbank had een te zware bewijslast gehanteerd voor de ondernemer. Het hof oordeelde dat de bewijslast voor aftrekbaarheid bij de ondernemer ligt, maar dat het omkering en verzwaring van de bewijslast niet passend is.

Partijen bereikten een compromis waarbij twee derde van de voorbelasting aftrekbaar werd geacht. Het hof vernietigde de eerdere uitspraken en mat de naheffingsaanslag tot € 2.200 en de boete tot € 198. Tevens werden proceskosten en griffierecht aan de ondernemer toegekend.

Uitkomst: De naheffingsaanslag werd verminderd tot € 2.200 en de boete tot € 198, met toekenning van proceskosten aan belanghebbende.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM
Sector belastingrecht
nummer 09/00027
uitspraakdatum: 17 november 2009
Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
X te Z (hierna:belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 11 december 2008, nummer 07/352, in het geding tussen belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst te P (hierna:de Inspecteur)
1. Ontstaan en loop van het geding
1.1 Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over het tijdvak 1 januari 2000 tot en met 31 december 2000 ten bedrage van € 2.521 belasting. Voorts is bij beschikking een verzuimboete opgelegd van € 252.
1.2 Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de naheffingsaanslag en de boetebeschikking gehandhaafd.
1.3 Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep tegen de naheffingsaanslag ongegrond verklaard, het beroep tegen de boetebeschikking gegrond, de uitspraak op bezwaar inzake de boetebeschikking vernietigd en de boete verminderd tot € 227.
1.4 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5 Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.
1.6 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2009 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord namens belanghebbende haar vennoten en haar gemachtigde alsmede de Inspecteur.
1.7 De Inspecteur heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Deze pleitnota wordt door het Hof tot de stukken van het geding gerekend.
1.8 Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.
2. De vaststaande feiten
Voor de feiten verwijst het Hof naar de door de Rechtbank vastgestelde feiten.
3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen
3.1 Tussen partijen is in geschil of de naheffingsaanslag en de boete terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd.
3.2 Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.
4. Beoordeling van het geschil
4.1 In artikel 34, eerste lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (verder: de Wet) is bepaald dat de ondernemer gehouden is aantekening te houden van – onder meer – de door hem en aan hem verrichte leveringen en verleende diensten. In artikel 31, vijfde lid, van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 is met betrekking tot deze boekhoudverplichting onder meer bepaald dat de aantekeningen op zodanige duidelijke en overzichtelijke wijze en met vermelding van zodanige bijzonderheden worden gehouden, dat aan de hand daarvan de over een bepaald belastingtijdvak verschuldigde belasting kan worden vastgesteld.
4.2 Vaststaat dat belanghebbende een facturenoverzicht heeft opgesteld (bijlage 20 bij het door de Inspecteur bij de Rechtbank ingediende verweerschrift) waarin alle facturen zijn opgenomen die door derden aan belanghebbende zijn verstrekt wegens aan haar verrichte leveringen en diensten. Belanghebbende, die zowel belaste prestaties (verzorging van paarden) als vrijgestelde prestaties (verhuur van paardenboxen) verricht, heeft de op alle aan haar gerichte facturen vermelde voorbelasting volledig in aftrek gebracht. De Rechtbank heeft geoordeeld dat uit vorenbedoeld facturenoverzicht onvoldoende kan worden opgemaakt dan wel afgeleid welke facturen zien op de door belanghebbende verrichte belaste prestaties, de vrijgestelde prestaties dan wel betrekking hebben op privé-uitgaven van beide vennoten en dat belanghebbende daarom niet heeft voldaan aan het in artikel 34 van Pro de Wet gestelde vereiste. De Rechtbank heeft daaraan de conclusie verbonden dat belanghebbende op grond van artikel 36 van Pro de Wet overtuigend moet aantonen dat de opgelegde naheffingsaanslag onjuist is dan wel tot een te hoog bedrag is opgelegd.
4.2 Door aldus te oordelen heeft de Rechtbank naar het oordeel van het Hof een onjuiste maatstaf aangelegd, nu de door de Rechtbank aangenomen verplichting geen steun vindt in het recht. Partijen verschillen slechts van mening over de vraag of alle aan belanghebbende verrichte leveringen en diensten zien op de belaste prestaties van belanghebbende (standpunt belanghebbende) dan wel of een gedeelte daarvan ziet op vrijgestelde prestaties en privé-uitgaven (standpunt Inspecteur). De bewijslast dat (alle) voorbelasting aftrekbaar is rust (al) op belanghebbende. Toepassing van het in artikel 36 van Pro de Wet neergelegde zware middel van (omkering en) verzwaring van de bewijslast is hier niet op zijn plaats.
4.3 Ter zitting zijn partijen bij wijze van compromis – ter beëindiging van de onderhavige procedure – overeengekomen dat 2/3e deel van de op de aan belanghebbende gerichte facturen vermelde voorbelasting aftrekbaar is en 1/3e deel niet. Partijen zijn voorts overeengekomen dat dit voor de onderhavige procedure meebrengt dat de naheffingaanslag moet worden verminderd tot € 2.200 en de opgelegde boete tot € 198. Het Hof zal dienovereenkomstig beslissen.
slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.
5. Kosten
Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 644 (1 punt voor het hoger beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting maal € 322 per punt maal wegingsfactor 1).
6. Beslissing
Het Gerechtshof
- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, uitsluitend voor zover die betrekking heeft op de onderhavige naheffingsaanslag en boetebeschikking;
- verklaart het beroep bij de Rechtbank gegrond;
- vernietigt de uitspraken van de Inspecteur;
- vermindert de naheffingsaanslag tot € 2.200;
- vermindert de boete tot € 198;
- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 644 en
- gelast dat de Staat aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 433 in verband met het hoger beroep bij het Gerechtshof.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Ettema als voorzitter, mr. G.M. van der Meer en mr. W.A.P. Nieuwenhuizen, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.
De beslissing is op 17 november 2009 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(S. Darwinkel) (C.M. Ettema)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 17 november 2009
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer)
Postbus 20303,
2500 EH Den Haag.
Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.