ECLI:NL:GHARN:2009:BK8679
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen overdrachtsbelastingvrijstelling bij inbreng terrein in commanditaire vennootschap
Belanghebbende bracht een terrein in een commanditaire vennootschap (CV) in en deed een beroep op de overdrachtsbelastingvrijstelling voor inbreng in een vennootschap zonder aandelenkapitaal. De Belastingdienst legde een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting op, omdat de vrijstelling niet van toepassing was. Tevens werd een vergrijpboete en heffingsrente opgelegd.
De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde. Het hof oordeelde dat het belastbare feit kenbaar was en dat de inbrengakte van 26 augustus 1999 de verkrijging vormde. De vrijstelling werd afgewezen omdat A, de inbrenger, geen reëel belang behield in de CV en geen actieve samenwerking met de andere vennoten had om voordeel te behalen.
Het hof vernietigde de boetebeschikking omdat niet was bewezen dat belanghebbende opzet of grove schuld had. De naheffingsaanslag en heffingsrente werden bevestigd. De proceskosten werden aan de Staat opgelegd. Het hoger beroep werd gegrond verklaard vanwege de vernietiging van de boetebeschikking.
Uitkomst: De naheffingsaanslag en heffingsrente worden bevestigd, de boetebeschikking wordt vernietigd.