ECLI:NL:GHARN:2010:BL2912
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging naheffingsaanslag omzetbelasting na vaststellingsovereenkomst en huurvordering
Belanghebbende, een vennootschap, had een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd gekregen over het vierde kwartaal 2003, inclusief een vergrijpboete en heffingsrente. De naheffingsaanslag betrof een bedrag van €38.417, gerelateerd aan huurvorderingen die onderdeel waren van een vaststellingsovereenkomst tussen belanghebbende en een andere partij. De rechtbank had het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard.
In hoger beroep stelde belanghebbende dat zij recht had op teruggaaf van omzetbelasting wegens een prijsvermindering of op grond van het vertrouwensbeginsel. De Inspecteur voerde aan dat de huurvordering was betaald binnen de vaststellingsovereenkomst en dat geen sprake was van een prijsvermindering of gewekt vertrouwen.
Het Hof stelde vast dat de huurvordering onderdeel was van de onderlinge kwijting in de vaststellingsovereenkomst, waarbij partijen finale kwijting hadden verleend. De teruggaaf van omzetbelasting was verleend 'tot behoud van rechten' en een controle door de Inspecteur had niet plaatsgevonden. Het enkele feit dat de creditfactuur was ontvangen en de teruggaaf was verleend, was onvoldoende om een beschermd vertrouwen aan te nemen.
Het Hof bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde dat belanghebbende geen recht had op teruggaaf van omzetbelasting over de huurvorderingen. De naheffingsaanslag was terecht opgelegd en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De naheffingsaanslag omzetbelasting is terecht opgelegd en het beroep van belanghebbende wordt afgewezen.