ECLI:NL:GHARN:2010:BL6422

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
1 maart 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.054.228
Instantie
Gerechtshof Arnhem
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 lid 1 onder b FwArt. 288 lid 2 onder c FwArt. 358 lid 4 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek wettelijke schuldsaneringsregeling na faillissement wegens misdrijfgerelateerde schuld

Appellante, een alleenstaande vrouw met een aanzienlijke schuldenlast, waaronder een grote schuld wegens een schadevergoeding uit onrechtmatige daad, werd failliet verklaard. Na afwijzing van haar verzoek tot opheffing van het faillissement met toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling, ging zij in hoger beroep.

Zij voerde aan dat de schuld aan [A], die het merendeel van haar schuldenlast uitmaakt, buiten beschouwing moest worden gelaten omdat deze voortvloeit uit een door het hof vastgesteld arrest met een aanvangsdatum van meer dan vijf jaar geleden. Tevens stelde zij dat zij naar vermogen had afgelost en dat het faillissement noch de schuldsaneringsregeling in het voordeel van schuldeiser [A] zou zijn.

Het hof oordeelde dat de schuld voortvloeit uit een schadevergoeding die verband houdt met een strafbaar feit waarvoor appellante en schuldeiser in Turkije gevangen hebben gezeten. Hierdoor is de schuld aan te merken als een schuld in de zin van artikel 358 lid 4 Faillissementswet Pro, waarvoor een langere termijn dan vijf jaar geldt. Gezien de aard van het misdrijf is het verzoek tot schuldsanering op grond van artikel 288 lid 2 onder Pro c Faillissementswet terecht afgewezen.

Het hoger beroep faalt en het vonnis van de rechtbank Almelo wordt bekrachtigd.

Uitkomst: Het hoger beroep faalt en het vonnis tot afwijzing van het verzoek tot schuldsanering wordt bekrachtigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM
Sector civiel recht
zaaknummer 200.054.228
(zaaknummer rechtbank: 107056 FT RK 1000/09 (F312/09))
arrest van de eerste civiele kamer van 1 maart 2010
inzake
[appellante],
wonende te [woonplaats],
appellante,
advocaat: mr. P.J.C. Garrels te Enschede.
1. Het geding in eerste aanleg
1.1 Bij vonnis van de rechtbank Almelo van 8 juli 2009 is appellante (hierna te noemen: [appellante]) op eigen aangifte failliet verklaard.
1.2 Bij vonnis van de rechtbank Almelo van 12 januari 2010 is het verzoek van [appellante] tot opheffing van haar faillissement onder gelijktijdige toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen.
1.3 Het hof verwijst naar laatstgenoemd vonnis, dat in fotokopie aan dit arrest is gehecht.
2. Het geding in hoger beroep
2.1 Bij ter griffie van het hof op 15 januari 2010 ingekomen verzoekschrift is [appellante] in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis van 12 januari 2010 en heeft zij het hof verzocht dat vonnis te vernietigen en alsnog op haar de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing te verklaren.
2.2 Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift en de daarbij behorende stukken, van de brief met bijlagen van 22 januari 2010 van de curator in het faillissement van [appellante], mr. L. Bezoen te Enschede, alsmede van de brieven met bijlagen van 4 en 8 februari 2010 van de advocaat van [appellante].
2.3 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 februari 2010, waarbij [appellante] is verschenen in persoon, bijgestaan door haar advocaat. De curator is eveneens verschenen.
3. De motivering van de beslissing in hoger beroep
3.1 Uit de stukken en het verhandelde ter zitting van het hof is gebleken dat [appellante] een
46-jarige alleenstaande vrouw is met een schuldenlast van bijna € 168.000,- waaronder een schuld aan [A] van € 163.351,30 wegens een schadevergoeding uit onrechtmatige daad. Voorts is gebleken dat [appellante] een bijstandsuitkering geniet.
3.2 De rechtbank heeft het verzoek van [appellante] tot opheffing van haar faillissement onder gelijktijdige toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen, omdat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van haar schuld aan [A] in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.
3.3 [appellante] kan zich met het oordeel van de rechtbank niet verenigen. Zij is van mening dat de schuld aan [A] bij de beoordeling van haar verzoek buiten beschouwing moet worden gelaten. Zij stelt daartoe dat de schuld aan [A], die (ruim) 95% van de totale schuldenlast uitmaakt, ziet op een door [appellante] te betalen schadevergoeding uit onrechtmatige daad, gebaseerd op een door dit hof bij inmiddels onherroepelijk geworden arrest van 30 september 2008 aan [appellante] opgelegde veroordeling. [appellante] stelt zich op het standpunt dat de rechtbank er ten onrechte van is uitgegaan dat de schade pas is ontstaan op het moment dat het hof arrest heeft gewezen. Nu het hof in zijn arrest is uitgegaan van 28 maart 2003 als aanvangstijdstip voor het berekenen van de rente (op die datum werd [appellante] door [A] in gebreke gesteld) werd de verplichting tot schadevergoeding op die datum, dus langer dan vijf jaar geleden, gematerialiseerd. [appellante]t voert tot slot nog aan dat zij, voordat zij failliet werd verklaard, naar vermogen op deze schuld heeft afgelost en dat het faillissement noch de schuldsaneringsregeling in het voordeel van [A] zal zijn, omdat het grootste deel van het actief opgaat aan het salaris van de curator. Het huidige boedelsaldo in het faillissement bedraagt € 5,91.
3.4 Ter zitting heeft [appellante] verklaard dat zij, evenals [A], in 1998 door de Turkse strafrechter is veroordeeld wegens smokkel van heroïne en daar 22 maanden gevangen heeft gezeten.
3.5 Het hof oordeelt als volgt. Hoewel het hof [appellante] kan volgen in haar betoog dat de schuld aan [A] langer dan vijf jaar geleden is ontstaan, kan [A] niet worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Het is het hof ambtshalve (uit de zaak die is uitgemond in het hiervoor onder 3.3 genoemde arrest van 30 september 2008) bekend dat [appellante] heeft getracht [A] (en diens toenmalige echtgenote [B]) in maart 1998 tassen met harddrugs vanuit Turkije naar Nederlands te laten smokkelen, zonder dat [A] wist dat er drugs in de tassen zaten. [A] en [B] hebben, evenals [appellante], vanaf 31 maart 1998 tot en met 26 januari 2000 in een Turkse gevangenis gezeten. Nu de schuld aan [A] - en [appellante] ontkent dat ook niet - voortvloeit uit een door de burgerlijke rechter vastgestelde schadevergoeding nadat de (Turkse) strafrechter over het door [appellante] begane misdrijf had geoordeeld, is deze aan te merken als een schuld in de zin van artikel 358 lid 4 van Pro de Faillissementswet (Fw). Gelet op de aard van het door [appellante] begane misdrijf, is het hof van oordeel dat in het onderhavige geval op grond van artikel 288 lid 2 onder Pro c Fw een aanzienlijk langere termijn in acht dient te worden genomen dan de in het eerste lid onder b van dat artikel genoemde termijn van vijf jaar en dat sprake is van een imperatieve afwijzingsgrond.
3.6 Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is het hof van oordeel dat het hoger beroep faalt. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het verzoek desondanks zou moeten worden toegewezen, is onvoldoende gebleken. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.
4. De beslissing
Het hof, recht doende in hoger beroep:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Almelo van 12 januari 2010.
Dit arrest is gewezen door mrs. A. Smeeïng-van Hees, A.A. van Rossum en F.W.J. Meijer en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 maart 2010.