ECLI:NL:GHARN:2010:BM6236
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over pachtbescherming en redelijkheid bij gebruik cultuurgrond
In deze zaak staat centraal of appellanten recht hebben op vastlegging van een pachtovereenkomst voor onbepaalde tijd tegen een overeengekomen pachtprijs van €800 per hectare per jaar voor een perceel cultuurgrond dat zij eerder verkochten aan geïntimeerde Van de Wetering.
De koopovereenkomst voorzag in een regeling waarbij het gebruik van het perceel door appellanten tot aanvang van ontgronding was toegestaan, en bij niet-verlening van de ontgrondingsvergunning een eenmalige pachtovereenkomst zou gelden. Na verlening van de vergunning en betaling van de restantkoopsom zegde Van de Wetering het gebruik op, waarna partijen mondeling overeenkwamen dat appellanten het perceel nog één jaar mochten gebruiken tegen een pachtprijs.
Het hof oordeelt dat sprake is van pacht, maar dat vastlegging van een pachtovereenkomst voor onbepaalde tijd onaanvaardbaar is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Dit vanwege de strekking van de koopovereenkomst en het feit dat Van de Wetering de meerwaarde van de grond reeds heeft betaald. De grieven van appellanten falen en het hof bekrachtigt het vonnis van de pachtkamer, waarbij appellanten worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de pachtkamer en wijst de vordering tot vastlegging van de pachtovereenkomst af wegens onaanvaardbaarheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid.