ECLI:NL:GHARN:2010:BM9143
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging loonvordering als vorderbaar en inbaar in inkomstenbelastingzaak
Belanghebbende, directeur van D Nederland B.V., had een loonvordering op D over de jaren 2000 tot en met 2003 van €232.262, waarvan betaling was opgeschort wegens liquiditeitsproblemen bij D. Na verkoop van activa beschikte D in 2003 over voldoende liquide middelen. Belanghebbende en E Holding B.V. sloten een overeenkomst waarbij E Holding B.V. de verplichting overnam om het loon uit te betalen zodra projecten waren verwezenlijkt.
De Inspecteur legde een navorderingsaanslag op waarin het bedrag van €232.262 als loon werd aangemerkt. Belanghebbende stelde dat het loon in 2003 niet inbaar was vanwege de liquiditeitsbehoefte van E Holding B.V. De Rechtbank Arnhem verklaarde het beroep ongegrond, en belanghebbende stelde hoger beroep in.
Het Gerechtshof oordeelde dat het loon in 2003 vorderbaar en inbaar was, gelet op de verkoop van activa en de overeenkomst tussen partijen. De stelling dat het loon oninbaar was door liquiditeitsproblemen van E Holding B.V. werd verworpen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het Gerechtshof verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt dat de loonvordering in 2003 vorderbaar en inbaar was.