ECLI:NL:GHARN:2010:BM9148
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vermindering aanslag verontreinigingsheffing wegens niet-naleving tegenbewijsregeling
Belanghebbende maakte bezwaar tegen een aanslag verontreinigingsheffing opgelegd door het waterschap Zuiderzeeland voor het jaar 2003. De rechtbank had de aanslag verminderd, maar het hof moest beoordelen of de gemeente terecht de tegenbewijsregeling toepaste om het aantal vervuilingseenheden vast te stellen.
De kern van het geschil betrof de vraag of de Ambtenaar het heffingsjaar mocht splitsen in tijdvakken om per periode een andere klasse vervuilingseenheden toe te passen. Belanghebbende stelde dat de Ambtenaar niet aan de regels van de tegenbewijsregeling had voldaan, onder meer omdat onvoldoende representatieve metingen waren verricht.
Het hof oordeelde dat het heffingsjaar als geheel moet worden beschouwd en dat twee weken metingen vereist zijn bij een geschatte vervuilingswaarde van meer dan 250 vervuilingseenheden. Omdat de Ambtenaar slechts één week had gemeten, voldeed hij niet aan de tegenbewijsregeling. Daarom werd de aanslag verminderd tot het aantal vervuilingseenheden berekend volgens de formule van artikel 22 van Pro de Wet verontreiniging oppervlaktewateren.
Het hoger beroep werd gegrond verklaard, de eerdere uitspraken vernietigd en de aanslag verminderd tot €16.398,40. Tevens werden de proceskosten aan belanghebbende toegewezen en het griffierecht vergoed.
Uitkomst: De aanslag verontreinigingsheffing wordt verminderd tot €16.398,40 wegens niet-naleving van de tegenbewijsregeling door de Ambtenaar.