ECLI:NL:GHARN:2010:BN4330

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
18 augustus 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
21/001282-10
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 lid 5 Wegenverkeerswet 1994Art. 131 lid 3 onderdeel a Wegenverkeerswet 1994Art. 422 Wetboek van Strafvordering
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens ontbreken bewijs dat verdachte wist van schorsing rijbewijs

Verdachte werd ten laste gelegd dat hij op 10 november 2006 een motorrijtuig bestuurde terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs geschorst was. In eerste aanleg en hoger beroep werd hij veroordeeld tot een werkstraf en geldboete. De Hoge Raad vernietigde dit arrest en verwees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling.

Het hof onderzocht of bewezen kon worden dat verdachte op de hoogte was van de schorsing. Het besluit tot schorsing was per aangetekende en gewone brief naar het GBA-adres van verdachte verzonden. De aangetekende brief was niet afgehaald en retour gekomen, de gewone brief niet. Het hof oordeelde dat uit het niet-retour komen van de gewone brief niet kon worden afgeleid dat verdachte kennis had van de schorsing. Ook het niet afhalen van de aangetekende brief kon niet tegen verdachte worden gebruikt.

Daarom was niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs geschorst was. Het hof sprak verdachte vrij van het ten laste gelegde. Dit arrest werd op 18 augustus 2010 gewezen door het Gerechtshof Arnhem.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken omdat niet bewezen is dat hij wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs geschorst was.

Uitspraak

Sector strafrecht
Parketnummer: 21-001282-10
Uitspraak d.d.: 18 augustus 2010
VERSTEK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Utrecht van 25 mei 2007 in de strafzaak tegen
[Verdachte]
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte bij vonnis van 25 mei 2007 door de politierechter in de rechtbank te Utrecht veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 30 uren en een geldboete van € 340,-.
Dit gerechtshof heeft in hoger beroep bij arrest van 10 december 2007 -met vernietiging van bovengenoemd vonnis- de verdachte eveneens veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 30 uren en een geldboete van € 340,-.
De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 9 maart 2010 voormeld arrest vernietigd en de zaak naar dit hof teruggewezen, teneinde de zaak op het bestaande beroep opnieuw te berechten en af te doen.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is -na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad- gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 4 augustus 2010 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. De advocaat-generaal acht het tenlastegelegde feit wettig en overtuigende bewezen en vordert een werkstraf voor de duur van 30 uren en een geldboete van € 340,-.
Het vonnis waarvan beroep
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.
De tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 10 november 2006 te Utrecht terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat de geldigheid van een op zijn naam gesteld rijbewijs ingevolge artikel 131 derde Pro lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994, voor een of meer categorieën van motorrijtuigen was geschorst, gedurende de tijd dat die schorsing van kracht was, op een weg, de Voorstraat een motorrijtuig, (bestelauto) van de categorie of categorieën, waarop de schorsing betrekking had, heeft bestuurd.
Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak
Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Het besluit tot schorsing van de geldigheid van het rijbewijs van verdachte is zowel per aangetekende als per gewone brief verzonden naar verdachtes GBA-adres. De aangetekende brief is retour gekomen met de mededeling “niet afgehaald”. De gewone brief is niet retour gekomen. Uit het dossier blijkt niet dat verdachte tot het moment van aanhouding bekend was met het besluit tot schorsing.
De vraag die het hof moet beantwoorden is of bewezen kan worden dat verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs geschorst was. Het hof beantwoordt die vraag ontkennend. Overtreding van artikel 9 lid 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 levert een misdrijf op waardoor aan het bestanddeel “redelijkerwijs moeten weten” zwaardere eisen worden gesteld dan een enkele verwijtbaarheid. Uit de enkele omstandigheid dat het besluit tot schorsing van de verdachte per gewone brief aan diens GBA-adres is verzonden en niet retour is gekomen, kan niet worden afgeleid dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat de geldigheid van zijn rijbewijs was geschorst. Voorts brengt de omstandigheid dat verdachte kennis had kunnen nemen van de aangetekende brief maar dat niet heeft gedaan, niet mee dat zulks voor risico van de verdachte dient te komen en aldus bewezen kan worden dat verdachte redelijkerwijs moest weten dat de geldigheid van zijn rijbewijs was geschorst.
BESLISSING (bij verstek)
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.
Aldus gewezen door
mr E.H. Schulten, voorzitter,
mr H.W. Koksma en mr P.H.A.J. Cremers, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr W.B. Kok, griffier,
en op 18 augustus 2010 ter openbare terechtzitting uitgesproken.