ECLI:NL:GHARN:2010:BN5030

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
26 augustus 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.069.595
Instantie
Gerechtshof Arnhem
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 lid 2 sub d FwArt. 350 lid 3 onder a FwArt. 350 lid 3 onder b FwArt. 350 lid 3 onder d Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot hernieuwde toelating schuldsaneringsregeling ondanks schrijnende omstandigheden

Appellante, een alleenstaande vrouw met een schuldenlast van ruim €19.000 en een WAO-uitkering, verzocht om hernieuwde toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Haar eerdere regeling was op 26 april 2003 geëindigd met een schone lei. De rechtbank Almelo wees haar verzoek af op grond van artikel 288 lid 2 sub d Faillissementswet Pro, omdat minder dan tien jaar waren verstreken sinds de vorige regeling.

Appellante voerde aan dat haar schrijnende persoonlijke omstandigheden, waaronder een slechte gezondheid door een recente tia en misbruik door haar drugsverslaafde dochter, een uitzondering op de afwijzingsgrond rechtvaardigden. Zij stelde dat de wetgever deze situatie niet had voorzien en verwees naar een conclusie van de Advocaat-Generaal die ruimte zag voor uitzonderingen.

Het hof oordeelde dat de wetgever met de herziening van de Wet Schuldsaneringsregeling Natuurlijke Personen per 1 januari 2008 expliciet een imperatieve afwijzingsgrond heeft gecreëerd voor gevallen zoals deze. Hoewel uitzonderingen onder zeer bijzondere omstandigheden mogelijk zijn, waren die hier niet aanwezig, mede omdat appellante enige verwijtbaarheid ten aanzien van haar schuldensituatie kon worden toegerekend.

Het hoger beroep faalde en het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank Almelo van 22 juni 2010 waarin het verzoek tot hernieuwde toelating tot de schuldsaneringsregeling werd afgewezen.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat het verzoek tot hernieuwde toelating tot de schuldsaneringsregeling afwijst.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM
Sector civiel recht
zaaknummer 200.069.595
(zaaknummer rechtbank: 111419 FT RK 10-376)
arrest van de eerste civiele kamer van 26 augustus 2010
inzake
[appellante],
wonende te [woonplaats],
appellante,
advocaat: mr. L. Bezoen te Enschede.
1. Het geding in eerste aanleg
Bij vonnis van de rechtbank Almelo van 22 juni 2010 (hersteld bij vonnis van 24 juni 2010) is het verzoek van appellante (hierna te noemen: [appellante]) tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen. Het hof verwijst naar voornoemd vonnis, dat in fotokopie aan dit arrest is gehecht.
2. Het geding in hoger beroep
2.1 Bij ter griffie van het hof op 29 juni 2010 ingekomen verzoekschrift is [appellante] in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis en heeft zij het hof verzocht dat vonnis te vernietigen en de wettelijke schuldsaneringsregeling alsnog op haar van toepassing te verklaren.
2.2 Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift en de daarbij behorende stukken, van de brief met bijlagen van 7 juli 2010 van de advocaat van [appellante], alsmede van diens fax van 18 augustus 2010 houdende verklaringen van een tweetal artsen.
2.3 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2010, waarbij [appellante] is verschenen in persoon, bijgestaan door haar advocaat.
3. De motivering van de beslissing in hoger beroep
3.1 Uit de stukken en het verhandelde ter zitting van het hof is gebleken dat [appellante] een [leeftijd] alleenstaande vrouw is met een schuldenlast van ruim € 19.000,-. [appellante] heeft een WAO-uitkering die, exclusief vakantiegeld, ongeveer € 870,- netto per maand bedraagt. Voorts is gebleken dat de wettelijke schuldsaneringsregeling eerder op [appellante] van toepassing is geweest. Deze is op 26 april 2003 geëindigd met de zogenoemde schone lei.
3.2 De rechtbank heeft het verzoek van [appellante], gelet op het feit dat minder dan tien jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend ten aanzien van [appellante] de schuldsaneringsregeling van toepassing is geweest, op grond van artikel 288 lid 2 onder Pro d van de Faillissementswetwet (Fw) afgewezen, nu er geen sprake is van de in dit artikel genoemde uitzonderingsgrond.
3.3. [appellante] kan zich met het oordeel van de rechtbank niet verenigen. Hoewel zij zich bewust is van het feit dat de uitzonderingssituaties als bedoeld in artikel 350 lid 3 onder Pro a, b en d Fw niet aan de orde zijn, is zij van mening dat er aanleiding bestaat om in haar situatie af te wijken van de in artikel 288 lid 2 sub d Fw Pro vervatte imperatieve afwijzingsgrond, omdat de omstandigheden, waardoor zij opnieuw in financiële problemen is geraakt, haar niet kunnen worden aangerekend. Deze omstandigheden laten zich, kort gezegd, als volgt omschrijven:
- [appellante] verkeert in een slechte gezondheid mede vanwege een recente tia; de schuldenproblematiek laat diepe sporen na;
- tijdens verschillende opnames van [appellante] in het ziekenhuis in 2007 heeft een van haar dochters, die drugsverslaafd is, een aantal overeenkomsten op naam van [appellante] gesloten, haar bankpas misbruikt en een aantal aan [appellante] toebehorende waardevolle zaken verduisterd en verkocht; [appellante] heeft hiervan aangifte gedaan bij de politie;
- omstreeks juli 2008 heeft deze dochter opnieuw misbruik gemaakt van de bankpas van [appellante] en goederen gekocht ter waarde van ongeveer € 1.500,-; ook hiervan heeft [appellante] aangifte gedaan bij de politie.
[appellante] wijst er op dat de wetgever de situatie, waarin [appellante] buiten haar schuld is komen te verkeren, bij de vaststelling van het huidige artikel 288 lid 2 onder Pro d Fw niet voor ogen heeft gehad. De WSNP vloeit immers voort uit de zorg om het maatschappelijk hoogst ongewenste verschijnsel dat natuurlijke personen, die niet in staat blijken om aan hun schuldenpositie het hoofd te bieden en die juist door de schuldenproblematiek zelf tot in lengte van jaren in de onmogelijkheid verkeren om verbetering in hun uitzichtloze situatie te brengen. Gelet op de schrijnende situatie waarin [appellante] verkeert, dient zij, nu er ruim zeven jaren van de wettelijke periode van tien jaren zijn verstreken, opnieuw tot de schuldsaneringsregeling te worden toegelaten. [appellante] verwijst in dit verband naar de conclusie van Advocaat-Generaal Huydecoper bij het arrest van de Hoge Raad van 12 juni 2009, LJN BI0455, NJ 2009, 270 (bedoeld zal zijn: LJN BH7357, NJ 2009, 269), waarin deze zich op het standpunt stelt dat er wèl ruimte bestaat om op de in artikel 288 lid 2 sub d Fw Pro vervatte imperatieve afwijzingsgrond, een uitzondering te aanvaarden.
3.4 Het hof oordeelt als volgt. Aanvankelijk bestond er ingevolge artikel 288 Fw Pro (oud) een discretionaire bevoegdheid van de rechter om in gevallen, waarin minder dan tien jaar voorafgaande aan de dag waarop het verzoekschrift werd ingediend de schuldsanerings-regeling van toepassing was geweest, de schuldenaar al dan niet opnieuw toe te laten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. De wetgever heeft er echter bij de herziening van de Wet Schuldsaneringsregeling Natuurlijke Personen, zoals deze per 1 januari 2008 is komen te gelden, uitdrukkelijk voor gekozen om voormelde omstandigheid als een imperatieve afwijzingsgrond voor te schrijven, zodat het verzoek van [appellante] reeds op deze grond dient te stranden. Ook als wordt aangenomen dat op deze recent aanvaarde rechtsregel onder (zeer uitzonderlijke) omstandigheden een uitzondering kan worden gemaakt, leidt dat niet tot een ander oordeel. Dergelijke omstandigheden doen zich naar ’s hofs oordeel hier niet voor, waarbij mede een rol speelt dat [appellante] van haar huidige schuldensituatie tenminste enig verwijt kan worden gemaakt.
3.5 Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is het hof van oordeel dat het hoger beroep faalt. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.
4. De beslissing
Het hof, recht doende in hoger beroep:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Almelo van 22 juni 2010.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.A. van Rossum, F.W.J. Meijer en S.B. Boorsma en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 augustus 2010.