ECLI:NL:GHARN:2010:BO0515
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aftrek verontreinigingsheffing bij inname en lozing effluent via RWZI
Belanghebbende exploiteert een afvalverwerkingsbedrijf en nam water (effluent) in van een rioolwaterzuiveringsinrichting (RWZI) dat zij na zuivering en gebruik in haar bedrijfsproces deels weer loost op dezelfde RWZI. De heffing verontreinigingsheffing werd opgelegd over het aantal vervuilingseenheden zonder aftrek voor het ingenomen effluent. Belanghebbende stelde dat zij recht had op aftrek omdat het ingenomen water na zuivering weer in het oppervlaktewater wordt geloosd, en verwees naar ministeriële uitlatingen en het gelijkheidsbeginsel.
Het Hof oordeelde dat de Verordening van het Waterschap G, krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wvo), correct is toegepast en dat de aftrek niet van toepassing is op situaties zoals die van belanghebbende waarbij het water via een RWZI wordt ingenomen en geloosd. Ministeriële uitlatingen binden het Waterschap niet en de regeling is niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Het Hof benadrukte de ruime beoordelingsvrijheid van het Waterschap bij het vaststellen van regels en dat de regeling beperkt is tot directe lozing in oppervlaktewater zonder verdere zuivering.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aanslag verontreinigingsheffing wordt bevestigd zonder aftrek voor ingenomen effluent via RWZI.