ECLI:NL:GHARN:2010:BO3817
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling niet-ontvankelijkheid verzet tegen dwangbevel invordering dwangsommen
Burgemeester en wethouders van Noordoostpolder hebben appellant bij besluit gelast windturbines en een transformatorruimte te verwijderen, met een dwangsom van €50.000 per week bij niet-naleving. Dit besluit werd door de Raad van State onherroepelijk verklaard. De gemeente betekende op 15 juni 2007 een dwangbevel tot invordering van verbeurde dwangsommen van €550.000 plus rente en kosten. Appellant stelde verzet in tegen het dwangbevel, maar pas op 27 februari 2008, ruim na de wettelijke termijn van zes weken.
De rechtbank verklaarde het verzet niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding zonder verschoonbare reden. Appellant voerde aan dat het dwangbevel geen rechtsmiddelenverwijzing bevatte en dat hij niet op de hoogte was van de termijn. Het hof past analoog artikel 6:11 Awb Pro toe en oordeelt dat de regel dat niet-ontvankelijkverklaring achterwege moet blijven bij ontbreken van rechtsmiddelenverwijzing, een uitzondering kent als appellant anderszins tijdig op de hoogte was. Uit eerdere procedures blijkt dat appellant bekend was met de termijn en mogelijkheid van verzet.
Het hof verwerpt het beroep op artikel 6:17 Awb Pro en de stelling dat de brief van appellant als verzet moest worden opgevat. Het bewijsaanbod wordt gepasseerd wegens onvoldoende specificatie. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en veroordeelt appellant in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Appellant is niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzet tegen het dwangbevel wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.