ECLI:NL:GHARN:2010:BO4305
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid OM wegens overschrijding redelijke termijn in strafzaak minderjarige
De verdachte, destijds 17 jaar, werd op 24 oktober 2001 aangehouden wegens verdenking van gekwalificeerde fietsendiefstal en gewoonteheling. Op 4 juli 2003 werd hij door de kinderrechter bij verstek veroordeeld. Het openbaar ministerie trachtte het vonnis meerdere malen te betekenen, maar na september 2004 werden geen pogingen meer ondernomen totdat het vonnis pas in mei 2009 succesvol aan verdachte werd betekend.
De verdachte stelde vervolgens hoger beroep in, maar verscheen niet op de terechtzitting. Het hof constateerde dat het openbaar ministerie onvoldoende voortvarendheid betrachtte bij het betekenen van het vonnis en dat de totale duur van de vervolging ruim negen jaar bedroeg. Dit leidde tot een ernstige overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro.
Gezien de geringe complexiteit van de zaak, het ontbreken van vertragende invloed van de verdediging en het feit dat het een zaak tegen een minderjarige betrof, oordeelde het hof dat niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie de enige juiste beslissing was. Het hof vernietigde het vonnis en verklaarde het OM niet-ontvankelijk in de vervolging.
Uitkomst: Het hof verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk wegens ernstige overschrijding van de redelijke termijn.