ECLI:NL:GHARN:2010:BO4635
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling schorsende werking van verzet en hoger beroep bij executie dwangbevelen
In deze zaak staat de executie van twee dwangbevelen uitgevaardigd door de Provincie Overijssel tegen geïntimeerde centraal. De dwangbevelen betreffen aanzienlijke verbeurde dwangsommen van respectievelijk €328.000 en €300.000. Geïntimeerde stelde verzet in tegen beide dwangbevelen, waarna de rechtbank een deel van het verzet gegrond verklaarde en de dwangbevelen deels buiten werking stelde. De Provincie stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
Het hof oordeelde dat het verzet tegen elk dwangbevel afzonderlijk schorsende werking heeft, en dat het cassatieberoep tegen slechts één dwangbevel niet de schorsing van het andere dwangbevel kan voortzetten. Hierdoor werd het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigd voor zover de executie van het dwangbevel van 11 februari 2004 niet werd geschorst. Tevens werd geoordeeld dat het cassatieberoep tegen een deel van het dwangbevel van 9 juli 2004 de gehele executie van dat dwangbevel schorst.
De Provincie stelde dat het cassatieberoep misbruik van procesrecht was, omdat het 'pour besoin de la cause' was ingesteld en geïntimeerde haar vermogen buiten bereik bracht. Het hof verwierp dit standpunt en benadrukte dat het instellen van cassatie niet snel als misbruik van procesrecht mag worden aangemerkt, ook niet bij geringe kans van slagen. Uiteindelijk werd het hoger beroep gedeeltelijk toegewezen, de executie van het dwangbevel van 9 juli 2004 geschorst zolang cassatie aanhangig is, en werden de proceskosten gecompenseerd.
Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis gedeeltelijk en schorst de executie van het dwangbevel van 9 juli 2004 zolang cassatie aanhangig is.