ECLI:NL:GHARN:2010:BP7695
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over beëindiging en ontbinding van samenhangende pachtovereenkomsten na ploegruil
De zaak betreft een hoger beroep over twee samenhangende pachtovereenkomsten die zijn ontstaan uit een ploegruil tussen appellant en de broers B. De pachtovereenkomsten houden verband met elkaar, waardoor wijzigingen in de ene overeenkomst gevolgen kunnen hebben voor de andere. Appellant stelt dat de pachtovereenkomst nog van kracht is, terwijl de gemeente ontbinding vordert op grond van bestemmingswijziging.
In eerste aanleg is geoordeeld dat de pachtovereenkomst in 2004 is geëindigd doordat de broers B de percelen hebben laten liggen. Het hof onderzoekt of dit oordeel juist is en of de gemeente de ontbinding kan vorderen met schadeloosstelling. Het hof constateert dat het eenzijdig afzien van de tegenprestatie door de verpachter niet automatisch leidt tot beëindiging van de pachtovereenkomst en dat de gemeente de bewijslast draagt voor beëindiging met wederzijds goedvinden.
Het hof wijst op de noodzaak van overleg tussen partijen vanwege de samenhangende rechtsverhoudingen en vraagt nadere informatie over de contacten en gebruik van de percelen. Ook wordt aandacht besteed aan de gevolgen van de ontbinding en de onderbouwing daarvan. Het hof gelast een comparitie van partijen om verdere inlichtingen te verkrijgen en een mogelijke minnelijke schikking te beproeven. De beslissing wordt aangehouden tot na deze comparitie.
Uitkomst: Het hof verklaart appellant niet-ontvankelijk in hoger beroep tegen het tussenvonnis en gelast een comparitie van partijen voor nadere inlichtingen en mogelijke schikking.