Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARN:2010:BQ1426

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
7 december 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.075.355 en 200.075.359
Instantie
Gerechtshof Arnhem
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:369 BWArt. 351 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schorsing tenuitvoerlegging vonnissen pachtovereenkomsten wegens onvoldoende motivering uitvoerbaar bij voorraad

In deze civiele procedures stonden twee pachtovereenkomsten centraal tussen appellanten als pachters en De Molensteen als verpachtster. De pachtovereenkomsten betroffen grote landbouwpercelen en liepen af in april 2010 en juni 2011. De Molensteen had beide overeenkomsten opgezegd, waarna appellanten zich hiertegen verzetten.

De rechtbank Breda had op 8 september 2010 de beëindiging van de pachtovereenkomsten vastgesteld en de pachters veroordeeld tot ontruiming, met een dwangsom bij niet-naleving. Tevens had de rechtbank de vonnissen uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zonder deze uitvoerbaarbijvoorraadverklaring te motiveren.

Appellanten stelden in hoger beroep een incident tot schorsing van de tenuitvoerlegging in, stellende dat de rechtbank ten onrechte de vonnissen uitvoerbaar bij voorraad had verklaard zonder motivering, terwijl de verweren van de pachters niet kennelijk ongegrond waren. Het hof oordeelde dat de rechtbank terughoudend moet zijn bij het uitvoerbaar bij voorraad verklaren en dit moet motiveren. Gezien het ontbreken van motivering en het niet evident ongegrond zijn van de verweren, schorst het hof de tenuitvoerlegging van de vonnissen.

De beslissing omtrent de proceskosten werd aangehouden totdat in de hoofdzaken uitspraak is gedaan. De zaken werden verwezen naar een rolzitting voor verdere behandeling van de hoofdzaak.

Uitkomst: Het hof schorst de tenuitvoerlegging van de vonnissen van de rechtbank wegens het ontbreken van motivering bij de uitvoerbaarbijvoorraadverklaring.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM
Sector civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.075.355 en 200.075.359
(zaaknummers rechtbank 566225 en 566669)
arrest van de pachtkamer van 7 december 2010
inzake
(in de procedure met het zaaknummer 200.075.355)
[appellant],
wonende te [woonplaats],
appellant,
advocaat: mr. J.G.M. Roijers,
tegen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Beheer- en beleggingsmaatschappij De Molensteen B.V.,
gevestigd te Vught,
geïntimeerde,
advocaat: mr. J.P. de Man,
(in de procedure met het zaaknummer 200.075.359)
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Daalland B.V.,
gevestigd te Uitwijk, gemeente Woudrichem,
appellante,
advocaat: mr. J.G.M. Roijers,
tegen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Beheer- en beleggingsmaatschappij De Molensteen B.V.,
gevestigd te Vught,
geïntimeerde,
advocaat: mr. J.P. de Man.
1. De gedingen in eerste aanleg
Voor de gedingen in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen met zaaknummers 566225 respectievelijk 566669 van 6 januari 2010, 2 juni 2010 en 8 september 2010 die de pachtkamer van de rechtbank Breda, sector kanton, locatie Tilburg tussen appellanten (hierna gezamenlijk te noemen[appellanten], en afzonderlijk: [appellant] respectievelijk Daalland) als gedaagden en geïntimeerde (hierna te noemen: De Molensteen) als eiseres heeft gewezen; van die vonnissen is een fotokopie aan dit arrest gehecht.
2. De gedingen in hoger beroep
2.1 Het verloop van de procedures blijkt uit:
- de dagvaardingen in hoger beroep tevens inhoudende een (voorwaardelijke) incidentele vordering in de zin van artikel 351 Rv Pro d.d. 7 oktober 2010,
- de antwoordconclusies ter zake incident.
2.2 Vervolgens hebben partijen in beide procedures de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof in beide procedures arrest bepaald.
3. De beoordeling van de vorderingen in het incident
in de procedure met zaaknummer 200.075.355 ([appellant])
3.1 Deze zaak gaat – verkort en zakelijk weergegeven – over het volgende. Tussen [appellant] als pachter en De Molensteen als verpachtster bestaat een schriftelijke pachtovereenkomst d.d. 22 maart 2001 betreffende percelen grond in de gemeente [.....], kadastraal bekend gemeente [.....], sectie [.....], nummers [.....] (06.47.50 ha) en [.....] gedeeltelijk (03.21.40 ha), met een totale oppervlakte van 9.68.90 ha. Deze grond maakte oorspronkelijk deel uit van een complex met een totale oppervlakte van ongeveer 60 ha die De Molensteen had verworven en die zij vervolgens aan Daalland in gebruik had gegeven. De pachtovereenkomst loopt af op 19 april 2010. De Molensteen heeft bij deurwaardersexploot van 30 maart 2009 de pachtovereenkomst opgezegd tegen 20 april 2010. [appellant] heeft zich tegen deze opzegging verzet. De rechtbank heeft in het vonnis van 8 september 2010 op vordering van De Molensteen het tijdstip waarop de pachtovereenkomst met [appellant] zal eindigen vastgesteld op 30 juni 2011 met veroordeling van [appellant] het gepachte uiterlijk op laatstgenoemde datum te ontruimen en ontruimd te houden, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,-- voor iedere dag dat [appellant] met de uitvoering van dit vonnis in gebreke blijft, en met veroordeling van [appellant] in de proceskosten. Voorts heeft de rechtbank genoemd vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
in de procedure met zaaknummer 200.075.359 (Daalland)
3.2 Deze zaak gaat – verkort en zakelijk weergegeven – over het volgende.
Tussen Daalland als pachtster en De Molensteen als verpachtster bestaat een pachtovereenkomst betreffende percelen grond in de gemeente [.....], destijds kadastraal bekend gemeente [.....], sectie [.....], nummers [.....] gedeeltelijk (03.20.70 ha), [.....] gedeeltelijk (12.58.95 ha), [.....] gedeeltelijk (02.24.65 ha), [.....] (00.50.00 ha), [....] (03.76.40 ha), [.....] (06.71.00 ha) en [.....] (21.77.75 ha). Deze pachtovereenkomst is schriftelijk vastgelegd door de pachtkamer van dit gerechtshof bij arrest van 2 maart 2004. De totale oppervlakte van het gepachte bedraagt thans 49.43.90 ha. De pachtovereenkomst loopt af op 30 juni 2011. De Molensteen heeft bij deurwaardersexploot van 30 maart 2009 de pachtovereenkomst met Daalland opgezegd tegen 30 juni 2011. Daalland heeft zich tegen deze opzegging verzet. De rechtbank heeft in het vonnis van 8 september 2010 op overeenkomstige wijze beslist als ten aanzien van de pachtovereenkomst met [appellant] (zie onder 3.1), met inbegrip van de daar genoemde uitvoerbaarbijvoorraadverklaring.
in beide procedures
3.3 [appellanten] hebben, voor het (zich hier voordoende) geval dat het hof hun verzoek het hoger beroep te behandelen als een spoedappel niet zou honoreren, een incident opgeworpen dat strekt tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de vonnissen van 8 september 2010 (artikel 351 Rv Pro). Daartoe hebben [appellanten] aangevoerd dat de rechtbank genoemde vonnissen ten onrechte uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard. [appellanten] wijzen hiertoe op artikel 7:369 lid Pro 1, tweede zin, BW, inhoudende dat de rechter, indien het verweer van de pachter tegen de beëindigingsvordering van de verpachter hem kennelijk ongegrond voorkomt, zijn toewijzend vonnis uitvoerbaar bij voorraad kan verklaren. Volgens [appellanten] had de rechtbank gelet hierop de uitvoerbaarbijvoorraadverklaring van het vonnis van 8 september 2010 moeten motiveren, maar heeft de rechtbank dit nagelaten. Voorts kunnen volgens [appellanten] hun verweren in eerste aanleg bezwaarlijk als kennelijk ongegrond worden aangemerkt. Tenuitvoerlegging van genoemd vonnis voor het oogsttijdstip levert volgens Daalland misbruik van bevoegdheid op.
3.4 De Molensteen heeft in haar antwoordconclusies ter zake incident ontkend dat voor de incidentele vordering van [appellanten] een wettelijke grond aanwezig is, en dat te dezen van misbruik van bevoegdheid sprake zou kunnen zijn nu de rechtbank een uitvoeringsperiode van bijna tien maanden ten behoeve van [appellanten] heeft gelast.
3.5 De in artikel 7:369 lid Pro 1, tweede zin, BW, neergelegde maatstaf voor de mogelijkheid het toewijzende vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren houdt in dat het verweer van de pachter de rechter kennelijk ongegrond voorkomt. Deze maatstaf brengt mee dat de rechter terughoudend dient te zijn bij het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van een toewijzende uitspraak en dat hij zodanige uitspraak dient te motiveren. Nog daargelaten de vraag of de verweren van [appellanten] reeds op het eerste gezicht ongegrond zijn, heeft hier te gelden dat de rechtbank de uitvoerbaarbijvoorraadverklaring van de vonnissen van 8 september 2010 in het geheel niet heeft gemotiveerd. De Molensteen is in haar antwoordconclusies in beide zaken niet inhoudelijk ingegaan op het op artikel 7:369 lid Pro 1, tweede zin, BW gebaseerde betoog [appellanten] Reeds op grond van het bovenstaande dient het hof de incidentele vorderingen toe te wijzen.
Slotsom
De incidentele vorderingen zullen worden toegewezen. De beslissing omtrent de proceskosten zal worden aangehouden totdat in de hoofdzaken is beslist. De zaken zullen worden verwezen naar de rol van 18 januari 2011 voor memorie van antwoord in de beide hoofdzaken.
4. De beslissing
Het hof, recht doende in hoger beroep in de zaken met zaaknummers 200.075.355 en 200.075.359:
schorst de tenuitvoerlegging van het vonnissen van de rechtbank Breda, sector kanton, locatie Tilburg met de zaaknummers 566225 en 566669 van 8 september 2010;
houdt de beslissing omtrent de proceskosten aan totdat in de hoofdzaken is beslist;
verwijst de zaak naar de rol van 18 januari 2011 voor het nemen van de memorie van antwoord in de beide hoofdzaken door De Molensteen.
Dit arrest is gewezen door mrs. W.L. Valk, H.L. van der Beek en Th.C.M. Willemse en de deskundige leden mr.ing. J.A. Jansens van Gellicum en ir. H.B.M. Duenk en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 december 2010.