ECLI:NL:GHARN:2010:BW6655
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging vonnis over totstandkoming koopovereenkomst zonder financieringsvoorbehoud
In deze zaak staat centraal of tussen partijen een koopovereenkomst tot stand is gekomen met of zonder een financieringsvoorbehoud. Appellant stelde dat een ontbindende voorwaarde was overeengekomen, terwijl geïntimeerde stelde dat sprake was van een definitieve koopovereenkomst. Na eerdere procedures en een verwijzingsarrest van de Hoge Raad werd de zaak door het hof Arnhem inhoudelijk behandeld.
Het hof overwoog dat appellant de bewijslast droeg voor het financieringsvoorbehoud, maar dat het bewijs daarvoor onvoldoende was. Getuigenverklaringen van beide partijen waren tegenstrijdig, en de overige bewijsmiddelen boden geen overtuigend bewijs voor het financieringsvoorbehoud. Ook het feit dat partijen op een gegeven moment wilden wachten met ondertekening om financiering af te wachten, impliceerde niet dat een financieringsvoorbehoud was overeengekomen.
Verder stelde appellant dat geen perfecte koopovereenkomst was gesloten omdat over diverse voorwaarden nog geen overeenstemming bestond. Het hof verwees naar jurisprudentie dat de vraag of een overeenkomst is gesloten afhangt van de bedoeling van partijen en omstandigheden. Het hof concludeerde dat op 28 februari 2002 wel degelijk een koopovereenkomst tot stand was gekomen, mede gelet op verklaringen, correspondentie en gedragingen van partijen.
De grieven van appellant faalden derhalve, waaronder ook het beroep op anticipatie van artikel 7:2 BW Pro. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank Breda en veroordeelde appellant in de kosten van het geding in hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat een perfecte koopovereenkomst zonder financieringsvoorbehoud tot stand is gekomen en wijst de grieven af.