ECLI:NL:GHARN:2011:618

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
22 maart 2011
Publicatiedatum
27 april 2013
Zaaknummer
10-00514
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet waardering onroerende zakenNatuurschoonwet 1928
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling waarde bospercelen als bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond onder Wet WOZ

Belanghebbende is eigenaar van een onroerende zaak bestaande uit bospercelen, waarvan de waarde door de heffingsambtenaar van de gemeente Dalfsen is vastgesteld op €133.000. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze vaststelling, dat werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en verminderde de waarde tot €40.000, waarbij rekening werd gehouden met een perceel dat deel uitmaakt van een aangewezen landgoed.

In hoger beroep staat centraal of de bospercelen als bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond kwalificeren, waardoor de waarde buiten aanmerking blijft bij de WOZ-waardebepaling. Belanghebbende exploiteert een bosbedrijf en heeft bewijs geleverd, onder meer via een rentmeester en verkoopovereenkomst van hout, dat de percelen daadwerkelijk bedrijfsmatig worden geëxploiteerd.

Het hof acht de verklaring van de rentmeester overtuigend en concludeert dat de percelen bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond zijn. Daarom moet de waarde van de onroerende zaak op nihil worden vastgesteld. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en de gemeente Dalfsen wordt gelast het griffierecht aan belanghebbende te vergoeden.

Uitkomst: De waarde van de bospercelen wordt vastgesteld op nihil omdat deze bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond vormen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht
nummer 10/00514
uitspraakdatum: 22 maart 2011
nummer /
Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van rechtbank Zwolle-Lelystad van 19 oktober 2010, nummer AWB 09/1859, in het geding tussen
belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Dalfsen(hierna: de Ambtenaar).

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Bij beschikking heeft de Ambtenaar de waarde vastgesteld van de onroerende zaak [a-straat] .
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de beschikking. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Ambtenaar het bezwaar afgewezen.
1.3.
Belanghebbende is tegen voormelde uitspraak van de Ambtenaar in beroep gekomen bij de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en de vastgestelde waarde verminderd.
1.4.
Het beroepschrift tegen de uitspraak van de Rechtbank is op 30 november 2010 ter griffie ingekomen en is aangevuld bij brief van 11 januari 2011.
1.5.
De Ambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.6.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2011 te Arnhem. Belanghebbende is daar verschenen, bijgestaan door [A] . Namens de Ambtenaar is verschenen [B] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2.De vaststaande feiten

2.1.
Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak [a-straat] (hierna: de onroerende zaak). De onroerende zaak bestaat uit vijf kadastrale percelen met een totale oppervlakte van 133.509 m². De onroerende zaak bestaat uit bos.
2.2.
De Ambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak bij beschikking vastgesteld op € 133.000.
2.3.
Een van de percelen maakt deel uit van een op grond van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed, op grond waarvan de waarde daarvan bij de bepaling van de waarde van de onroerende zaak buiten aanmerking blijft op grond van artikel 2, eerste lid, onderdeel d, van de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet waardering onroerende zaken. De waarde van de overige percelen bedraagt € 40.000. De Rechtbank heeft de vastgestelde waarde van de onroerende zaak verminderd tot dit bedrag.
2.4.
Belanghebbende exploiteert een bosbedrijf. De bruto inkomsten variëren in de jaren 2000 tot en met 2010 van € 12.067 tot € 44.971. Het netto resultaat in deze jaren ligt tussen € 8.800 en € 40.600. In deze jaren is jaarlijks gemiddeld 438 m³ hout geoogst. Bij de exploitatie van het bosbedrijf wordt belanghebbende bijgestaan door [A] als rentmeester.
2.5.
Bij overeenkomst van 5 januari 2011 heeft belanghebbende aan [C] te [D] enige partijen hout op stam verkocht. Daartoe behoort een partij hout van naar schatting 90 m³ van het tot de onroerende zaak behorende perceel P 331.

3.Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1.
Tussen partijen is in geschil of de onderhavige percelen bestaan uit ten behoeve van de bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, zodat de waarde ervan bij de bepaling van de onroerende zaak buiten aanmerking wordt gelaten.
3.2.
Beide partijen hebben voor hun standpunten aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Hetgeen daaraan ter zitting is toegevoegd, is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.
3.3.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en gegrondverklaring van het beroep tegen de uitspraak op bezwaar en vermindering van de vastgestelde waarde tot nihil. De Ambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4.Beoordeling van het geschil

4.1.
Niet in geschil is dat belanghebbende een bosbedrijf exploiteert. In geschil is of de onderhavige percelen als onderdeel van dat bosbedrijf bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond zijn.
4.2.
Ter zitting heeft [A] als rentmeester verklaard dat de onderhavige percelen op dezelfde wijze worden geëxploiteerd als de andere bospercelen die belanghebbende bezit. Hij heeft daarbij een uitvoerige toelichting gegeven over de wijze waarop de exploitatie plaatsvindt. Voorts is deze verklaring ondersteund door overlegging van de hiervoor onder 2.5 vermelde overeenkomst.
4.3.
Het Hof acht op grond van de overtuigende verklaring van [A] aannemelijk dat de onderhavige percelen in het bosbedrijf van belanghebbende worden gebruikt als bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond. De waarde ervan moet daarom bij de vaststelling van de waarde van de onroerende zaak buiten aanmerking blijven. De waarde van de onroerende zaak moet worden vastgesteld op nihil.
4.4.
Gelet op het vorenoverwogene heeft de Rechtbank geen juiste beslissing genomen. Het Hof zal dan ook de uitspraak van de Rechtbank vernietigen.

5.Kosten

Niet gesteld of gebleken is dat belanghebbende voor vergoeding in aanmerking komende kosten heeft gemaakt.

6.Beslissing

Het Gerechtshof:
  • vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover daarbij de waarde van de onroerende zaak is vastgesteld;
  • vermindert de vastgestelde waarde tot nihil; en
  • gelast de gemeente Dalfsen het griffierecht ad € 111 aan belanghebbende te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mrs. J. van de Merwe, voorzitter, J. Lamens en R.A.V. Boxem, in tegenwoordigheid van mr. N. ten Broek als griffier.
De beslissing is op 22 maart 2011 in het openbaar uitgesproken.
De griffier,
De voorzitter,
(N. ten Broek)
(J. van de Merwe)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 24 maart 2011
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),
Postbus 20303,
2500 EHDen Haag.
Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.