ECLI:NL:GHARN:2011:BP2957
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- W.L. Valk
- G.P.M. van den Dungen
- H.L. van der Beek
- J.A. Jansens van Gellicum
- H.K.C. Roelofsen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling en vastlegging van pachtovereenkomsten en procespositie medepachters
In deze zaak staat centraal de kwalificatie van een pachtovereenkomst tussen een verpachter en twee medepachters, waarbij in eerste aanleg slechts één medepachter partij was. De verpachter ging in hoger beroep en riep de andere medepachter op, die vervolgens ook vorderingen instelde. Het hof hanteerde een ruime opvatting van prorogatie waardoor het beide geschillen tegelijk behandelde.
De kern van het geschil betreft de vraag of de pachtovereenkomst een eenmalige pachtovereenkomst is in de zin van artikel 70f lid 5 Pachtwet, of een reguliere pachtovereenkomst. Het hof oordeelde dat het niet gebonden is aan de kwalificatie van partijen en dat de overeenkomst zelfstandig moet worden gekwalificeerd. De stellingen van partijen dat niet aan de vormvereisten was voldaan, werden verworpen. Tevens werd vastgesteld dat de pachtovereenkomst met betrekking tot een klein perceel in combinatie met een ander perceel als één overeenkomst moet worden gezien, waardoor schriftelijke vastlegging mogelijk is.
De verpachter voerde verder aan dat sprake was van misbruik van bevoegdheid, onrechtmatige daad en een beroep op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid. Het hof verwierp deze beroepen vanwege het dwingendrechtelijke karakter van het pachtrecht en het ruime tijdsverloop waarin de pachters het perceel bleven gebruiken en pachtprijs betaalden. De vorderingen van de pachters tot schriftelijke vastlegging van de pachtovereenkomsten werden toegewezen, terwijl de vordering tot ontruiming werd afgewezen.
Tenslotte verklaarde het hof de verpachter en medepachter niet-ontvankelijk voor zover zij hoger beroep en incidenteel beroep hadden ingesteld tegen het vonnis van de pachtkamer ten aanzien van de medepachter die in eerste aanleg geen partij was. De zaak werd aangehouden voor nadere toelichting en verdere beslissing.
Uitkomst: Het hof wijst de vorderingen van de pachters tot schriftelijke vastlegging van reguliere pachtovereenkomsten toe en verklaart de vorderingen tot ontruiming en beroepen van de verpachter op redelijkheid en billijkheid, misbruik en onrechtmatige daad ongegrond.