ECLI:NL:GHARN:2011:BP5031
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging heffing overdrachtsbelasting bij verkrijging aandelen in onroerendezaaklichaam
Belanghebbende heeft in 2008 een belang van 20% in een BV verworven die als onroerendezaaklichaam kwalificeert. De BV hield onroerende zaken met een economische waarde van ruim een miljoen euro. Belanghebbende deed aangifte overdrachtsbelasting en betaalde € 12.987. Na bezwaar wees de Inspecteur teruggaaf af en verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond.
In hoger beroep stond centraal of de wettelijke regeling, die overdrachtsbelasting alleen heft bij verkrijging door verbonden personen met een aanmerkelijk belang, in strijd is met het discriminatieverbod van het EVRM en het Internationale verdrag inzake burgerrechten. Belanghebbende stelde dat hij ongelijk werd behandeld ten opzichte van derden die niet tot de verbonden groep behoren.
Het Hof oordeelde dat de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid heeft en dat de regeling een objectieve en redelijke rechtvaardiging kent. De regeling is bedoeld om misbruik te voorkomen en de wezenlijke zeggenschap over onroerende zaken te belasten. De beperking tot verbonden personen is gerechtvaardigd vanwege de kortstondige aard van samenwerking en het voorkomen van belastingontwijking.
Het beroep op het eerste protocol EVRM faalde omdat geen sprake was van uitsluiting van een effectief rechtsmiddel. Het Hof verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werden geen proceskosten aan belanghebbende toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de heffing van overdrachtsbelasting wordt bevestigd.