ECLI:NL:GHARN:2011:BP8407
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-aftrekbaarheid van NMa-boetes in vennootschapsbelasting bevestigd
Belanghebbende, moedermaatschappij van een fiscale eenheid, kreeg voor 2003 en 2004 aanslagen vennootschapsbelasting opgelegd waarbij NMa-boetes niet in aftrek werden toegelaten. De boetes betroffen kartelboetes opgelegd aan groepsvennootschappen B B.V. en C B.V. wegens overtreding van het kartelverbod.
Belanghebbende voerde aan dat de boetes deels aftrekbaar zijn omdat zij een voordeelontnemend karakter zouden hebben en dat deze boetes als kosten van onderhanden werk geactiveerd konden worden. De Inspecteur stelde dat artikel 3.14 Wet IB de aftrek uitsluit.
Het Hof oordeelde dat de wettelijke bepalingen en jurisprudentie van de Hoge Raad geen ruimte bieden voor aftrek van bestuurlijke boetes. Ook het argument dat boetes onderdeel van onderhanden werk zijn, werd verworpen. De toepassing van de foutenleer kon niet leiden tot activatie van boetes als onderhanden werk omdat de betreffende werken al vóór de jaren 2003 en 2004 waren opgeleverd.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. Ook de heffingsrente werd gehandhaafd omdat daartegen geen zelfstandige gronden waren aangevoerd.
De kosten werden niet aan een partij toegewezen. De uitspraak werd gedaan door het Gerechtshof Arnhem op 1 maart 2011.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de niet-aftrekbaarheid van de NMa-boetes bevestigd.