ECLI:NL:GHARN:2011:BQ1185
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Redelijkheid van kosten bij vaststelling schade en aansprakelijkheid bij verduistering in dienstbetrekking
In deze civiele zaak staat centraal de vraag of de lening die de werknemer aan de werkgever verschuldigd is, reeds was afgelost en of de werknemer onrechtmatig heeft gehandeld door verduistering van goederen uit de werkruimte. De werkgever had de werknemer op staande voet ontslagen wegens onregelmatigheden die met camerabeelden waren vastgesteld. De werknemer betwistte het ontslag en de omvang van de vordering.
De arbeidsovereenkomst en de leningsovereenkomst bevatten verschillende bepalingen over de aflossing van de schuld, waarbij onduidelijkheid bestaat over de interpretatie en uitvoering. Het hof constateert dat de taalkundige uitleg niet volstaat en dat de zin die partijen redelijkerwijs aan elkaars verklaringen mochten toekennen bepalend is. Daarnaast staat vast dat de werknemer de inhoud van de fooienpot heeft meegenomen, wat onrechtmatig is jegens de werkgever.
De kosten die de werkgever maakte voor het huren van een camera en het inschakelen van een detectivebureau worden als redelijk beoordeeld, ongeacht de waarde van het verduisterde goed. De rechtbank had de vordering deels toegewezen, maar het hof acht nadere informatie noodzakelijk over de arbeidsovereenkomsten en de schuldbekentenis, en beveelt een comparitie van partijen om verdere procedurele stappen te bepalen.
Het hof wijst erop dat de bewijslast omtrent de omvang van de schade bij de werkgever ligt en dat de werknemer onvoldoende heeft onderbouwd waarom de gemaakte kosten onredelijk zouden zijn. De zaak wordt verwezen naar een rolzitting voor het plannen van een comparitie, waarbij ook de mogelijkheid tot schikking zal worden besproken.
Uitkomst: De zaak wordt aangehouden en verwezen naar comparitie voor nadere informatie en mogelijke schikking.