ECLI:NL:GHARN:2011:BQ1662
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- W.L. Valk
- A.W. Steeg
- P.H. Veling
- Rechtspraak.nl
Vastlegging pachtovereenkomst en bewijsopdracht inzake opvolging pachter
In deze civiele zaak staat de vastlegging van een pachtovereenkomst en de opvolging in de pacht centraal. De vader van de geïntimeerde had sinds circa 1980 met toestemming van de familie C de percelen in gebruik voor zijn melkveebedrijf. Na ontbinding van de maatschap in 1999 zette de geïntimeerde het bedrijf voort. De pachtbetalingen werden vanaf 1991 door de geïntimeerde voldaan.
De pachtkamer van de rechtbank Zutphen had eerder een pachtovereenkomst vastgesteld tussen appellant B als verpachter en geïntimeerde als pachter, met ontruiming van de percelen. Het hof oordeelt dat de eigendom van het perceel met een bepaalde kadastrale aanduiding niet aan appellant B maar aan appellant A toebehoort, waardoor de vastlegging voor dat perceel niet juist is.
Het hof draagt aan geïntimeerde op bewijs te leveren van instemming van de verpachter met zijn opvolging in de pacht, onder meer door het horen van getuigen. Tevens moet hij bewijzen dat appellant A haar rekeningnummer aan hem heeft opgegeven, wat duidt op instemming met voortzetting van de pacht. De vorderingen van appellanten tot vergoeding van kosten en ontruiming worden afgewezen vanwege onvoldoende onderbouwing. Het hof houdt verdere beslissing aan totdat het bewijs is geleverd.
Uitkomst: Het hof draagt bewijs op aan geïntimeerde en houdt verdere beslissing aan over vastlegging pachtovereenkomst en opvolging pacht.