ECLI:NL:GHARN:2011:BQ2164
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vennootschapsbelasting en deelnemingsvrijstelling bij nabetalingsregeling
Belanghebbende had in 2001 een aanslag vennootschapsbelasting ontvangen die zij betwistte. Na eerdere procedures bij rechtbank en gerechtshof, en een arrest van de Hoge Raad, werd de zaak verwezen naar het gerechtshof Arnhem. De kern van het geschil betrof de fiscale behandeling van een nabetalingsregeling die voortvloeide uit de verkoop van aandelen.
Het hof bevestigde dat de nabetalingsregeling onder de deelnemingsvrijstelling valt, conform het arrest van de Hoge Raad. Belanghebbende stelde dat de Inspecteur ongelijk beleid voerde door in een vergelijkbare zaak een aftrek toe te staan, wat een schending van het gelijkheidsbeginsel zou zijn. Dit werd verworpen omdat belanghebbende onvoldoende bewijs leverde van niet gepubliceerd begunstigend beleid.
Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat de relevante clausules niet in de aangifte van 1999 waren vermeld, waardoor de Inspecteur niet redelijkerwijs bekend kon zijn met alle bijzonderheden. Het hof vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond.
Uitkomst: Het gerechtshof verklaart het beroep van belanghebbende ongegrond en bevestigt dat de nabetalingsregeling onder de deelnemingsvrijstelling valt.