ECLI:NL:GHARN:2011:BQ2947
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- R.A. Zuidema
- M.E.L. Fikkers
- H. de Hek
- Rechtspraak.nl
Vordering bank tot betaling krediet niet toegewezen wegens ontbrekende ingebrekestelling
ABN AMRO Bank vorderde betaling van een uitgeleend bedrag op basis van een doorlopend kredietovereenkomst, maar het gerechtshof Arnhem wees deze vordering af. De kern van het geschil betrof de vraag of de ingebrekestelling, vereist op grond van artikel 33 WCK Pro, de kredietnemer had bereikt. ABN AMRO stelde dat een brief van 30 maart 2007 als ingebrekestelling diende, maar de kredietnemer betwistte ontvangst omdat de brief naar een postbusadres was gestuurd terwijl hij al een ander woonadres had opgegeven.
Het hof stelde vast dat ABN AMRO onvoldoende had onderbouwd dat de ingebrekestelling de kredietnemer had bereikt. Het feit dat de brief naar een verkeerd adres werd gestuurd en dat ABN AMRO geen bewijs leverde van ontvangst, leidde tot de conclusie dat de ingebrekestelling niet het beoogde effect had. Hierdoor was het saldo niet opeisbaar en kon ABN AMRO haar vordering niet baseren op vervroegde opeisbaarheid.
Verder oordeelde het hof dat ABN AMRO geen nakoming van de maandelijkse termijnbetalingen had gevorderd en onvoldoende gegevens had verstrekt om deze te beoordelen. De rechtbank had ABN AMRO niet-ontvankelijk verklaard, maar het hof vernietigde dit oordeel en wees de vordering af. ABN AMRO werd veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.
Uitkomst: De vordering van ABN AMRO tot betaling van het kredietbedrag werd afgewezen wegens het ontbreken van een geldige ingebrekestelling.