ECLI:NL:GHARN:2011:BQ3087
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep kort geding
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep wegens onttrekking minderjarige aan wettig gezag door moeder
De verdachte werd ten laste gelegd dat zij tussen 2 december 2000 en 13 oktober 2006 haar minderjarige kind onttrok aan het gezamenlijk ouderlijk gezag door het kind mee te nemen naar en in het buitenland te houden zonder instemming van de vader.
Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en deed opnieuw recht. Het verweer van de verdediging dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk zou zijn wegens niet-opportuniteit of overschrijding van de redelijke termijn werd verworpen. Ook het betoog dat Nederland geen rechtsmacht had werd afgewezen omdat een deel van de strafbare handelingen in Nederland plaatsvond.
Het hof achtte wettig bewezen dat verdachte het kind onttrok aan het gezag door het mee te nemen naar het buitenland zonder toestemming van de vader, ondanks het ontbreken van een omgangsregeling. Verweren zoals overmacht, psychische overmacht en rechtsdwaling werden verworpen.
Gelet op de ernst van het feit en de langdurige onttrekking legde het hof een gevangenisstraf van twee maanden op, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Het hof vond een geldboete onvoldoende passend.
De uitspraak werd gedaan door mr A.E. Harteveld, mr E.H. Schulten en mr P. van Kesteren op 22 april 2011.
Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden wegens onttrekking van minderjarige aan gezamenlijk gezag.