ECLI:NL:GHARN:2011:BQ3497
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Veroordeling medeplegen kraken wegens wederrechtelijk binnendringen en vertoeven
Verdachte werd beschuldigd van medeplegen van kraken door zich in de periode van 31 oktober tot en met 1 november 2010 wederrechtelijk te bevinden in een pand waarvan het gebruik was beëindigd door de rechthebbende. Het pand was op 31 oktober 2010 gekraakt door circa 50 personen en op 1 november 2010 ontruimd door de politie op basis van artikel 551a Sv.
De verdediging voerde meerdere verweren aan, waaronder de onrechtmatigheid van de ontruiming, strijd met het huisrecht (artikel 8 EVRM Pro), en de onrechtmatigheid van aanhouding en inverzekeringstelling. Het hof oordeelde dat de ontruiming een accessoire bevoegdheid is en niet als strafvorderlijke bevoegdheid kan worden aangemerkt, waardoor deze verweren buiten beschouwing blijven. Ook werd het beroep op het nemo tenetur-beginsel verworpen.
Het hof stelde vast dat verdachte zich bewust was van het wederrechtelijke karakter van zijn verblijf in het pand, aangezien geen toestemming van de rechthebbende was verleend. Het hof achtte bewezen dat verdachte medepleegde aan het kraken en sprak hem vrij van overige tenlasteleggingen. De strafbepaling van artikel 138a Sr werd niet buiten toepassing gelaten ondanks de aangevoerde strijd met het EVRM.
Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en veroordeelde verdachte tot een werkstraf van 40 uur, met een vervangende hechtenis van 20 dagen indien niet naar behoren uitgevoerd. De tijd in voorarrest wordt in mindering gebracht volgens de maatstaf van twee uur taakstraf per dag voorarrest.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een werkstraf van 40 uur wegens medeplegen van kraken.