ECLI:NL:GHARN:2011:BQ4092
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- G.M. van der Meer
- R. Feunekes
- E.M. Kostense
- Rechtspraak.nl
Gezagsregeling minderjarige met dubbele nationaliteit volgens Haags Kinderbeschermingsverdrag
In deze zaak gaat het om de gezagsverhouding over een minderjarige met zowel de Nederlandse als Franse nationaliteit. De vader verzocht om gezamenlijk gezag met de moeder, dan wel een verklaring dat hij reeds gezag heeft. De rechtbank Utrecht verklaarde zich onbevoegd en verwees de zaak door naar de rechtbank Zwolle-Lelystad.
De rechtbank Zwolle-Lelystad besloot uiteindelijk dat de vader samen met de moeder het gezag heeft. De moeder stelde hoger beroep in tegen deze beschikking, maar trok haar beroep tegen de eerdere beschikking van de rechtbank Utrecht in. Het hof oordeelt dat het verzoek om gezamenlijk gezag en de verklaring voor recht verweven zijn en dat een verklaring voor recht kan worden gegeven.
Het hof past artikel 3 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961 toe, dat bepaalt dat de gezagsverhouding niet verandert bij wijziging van de effectieve nationaliteit van het kind. Omdat de minderjarige bij verhuizing naar Nederland nauwere banden had met Frankrijk, is het Franse recht van toepassing. Volgens Frans recht is gezamenlijk gezag ontstaan door erkenning binnen een jaar na geboorte en blijft dit gezag van kracht ondanks verhuizing.
De bezwaren van de moeder dat het kind slechts kort in Frankrijk woonde en dat dit tot ongelijke situaties leidt met haar andere zoon, worden verworpen. Het hof bekrachtigt de beschikking van 4 juni 2010 van de rechtbank Zwolle-Lelystad waarin gezamenlijk gezag is vastgesteld.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking dat de vader en moeder gezamenlijk gezag hebben over de minderjarige volgens Frans recht.