ECLI:NL:GHARN:2011:BQ6216
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- R. de Groot
- B.W.M. Hendriks
- W.R. Rosingh
- Rechtspraak.nl
Veroordeling wegens opzettelijk niet doen van belastingaangiften over meerdere jaren
Verdachte werd in eerste aanleg deels vrijgesproken en deels veroordeeld voor het niet doen van belastingaangiften. Zowel verdachte als het openbaar ministerie gingen in hoger beroep. Het hof oordeelde dat verdachte binnenlands belastingplichtig was op grond van artikel 4 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen, gelet op zijn duurzame persoonlijke en zakelijke banden met Nederland.
Het hof stelde vast dat verdachte over de jaren 2000 tot en met 2005 geen of onjuiste aangiften had gedaan, waardoor hij belasting ontweek over een geschat bedrag van minstens €550.000. De verdediging voerde aan dat verdachte niet in Nederland woonde en daarom geen aangifte hoefde te doen, maar dit werd verworpen op basis van bewijs zoals getuigenverklaringen, bankopnames en documenten.
De procedure kende een langdurige duur, maar het hof oordeelde dat het openbaar ministerie ontvankelijk bleef omdat de vervolging binnen redelijke termijn werd voortgezet. Het hof wees het verzoek tot nader getuigenverhoor af en vernietigde het vonnis van de rechtbank voor zover het oordeel betreft over het bewezenverklaarde.
Uiteindelijk veroordeelde het hof verdachte tot een gevangenisstraf van 8 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met als motivering de ernst van de feiten, het nadeel voor de staat en de preventieve doelen. De straf is hoger dan in eerste aanleg en hoger dan gevorderd door de advocaat-generaal in hoger beroep, maar gematigd vanwege de leeftijd en het tijdsverloop.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 8 maanden gevangenisstraf, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, wegens het opzettelijk niet doen van belastingaangiften over de jaren 2000 tot en met 2005.