ECLI:NL:GHARN:2011:BR0290

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
9 juni 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.077.998/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:401 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot wijziging kinderalimentatie wegens ontbreken grove miskenning wettelijke maatstaven

Partijen hebben een convenant gesloten waarin de man een kinderalimentatie van €150 per maand voor beide kinderen betaalt, bekrachtigd door een Spaans vonnis in 2008. De vrouw verzocht wijziging van deze alimentatie naar €580 per kind per maand, stellende dat sprake was van grove miskenning van wettelijke maatstaven en druk van de man.

De rechtbank Zwolle-Lelystad wees dit verzoek in eerste aanleg toe, maar de man ging in hoger beroep. Het hof overwoog dat een wijziging op grond van artikel 1:401 BW Pro alleen mogelijk is bij gewijzigde omstandigheden of grove miskenning bij het sluiten van de overeenkomst.

De vrouw kon geen bewijs leveren van onjuiste gegevens of onopzettelijke instemming en erkende bekend te zijn geweest met de financiële situatie van de man. Ook was onvoldoende onderbouwd dat zij onder druk was gezet. Het hof concludeerde dat geen duidelijke wanverhouding bestond tussen de overeengekomen en de wettelijk te verwachten onderhoudsbijdrage.

Daarom vernietigde het hof de beschikking van de rechtbank en wees het verzoek tot wijziging af, waarbij het convenant en de alimentatie van €150 per maand voor beide kinderen gehandhaafd blijven.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie af en handhaaft de overeengekomen bijdrage van €150 per maand voor beide kinderen.

Uitspraak

Beschikking d.d. 9 juni 2011
Zaaknummer 200.077.998
HET GERECHTSHOF ARNHEM
Nevenzittingsplaats Leeuwarden
Beschikking in de zaak van
[appellant],
wonende te [woonplaats],
appellant,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. J.M.H. Lebouille, kantoorhoudende te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats],
geïntimeerde,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. M.T.N. Whiterod, kantoorhoudende te Utrecht.
Het geding in eerste aanleg
Bij beschikking van 14 september 2010 heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Zwolle, - voor zover voor dit hoger beroep van belang - het verzoek van de vrouw tot wijziging van het vonnis van 15 oktober 2008 van de Spaanse rechtbank van eerste aanleg nr. 2 van Calahorra (Spanje) toegewezen en de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen [kind 1] (hierna: [kind 1]), geboren [in 1995], en [kind 2] (hierna: [kind 2]), geboren [in 1998], met ingang van 19 november 2009 bepaald op € 580,-- per kind per maand en daarbij bepaald dat de aan de man opgelegde kinderbijdrage eerst van rechtswege wordt verhoogd op 1 januari 2011 met het dan ingaande wettelijke indexeringspercentage.
Het geding in hoger beroep
Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 30 november 2010, heeft de man verzocht de beschikking van 14 september 2010 te vernietigen voor zover daarbij is bepaald dat hij met ingang van 19 november 2009 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen van € 580,-- per kind per maand dient te voldoen en opnieuw beslissende de door de man te betalen bijdrage voor de twee kinderen van partijen op nihil te stellen en in ieder geval geen hogere bijdrage vast te stellen dan de door partijen in het convenant van 16 juli 2008 overeengekomen bijdrage, te weten € 150,-- voor de twee kinderen samen.
Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 24 januari 2011, heeft de vrouw het verzoek bestreden en verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.
Het hof heeft kennisgenomen van de overige stukken.
Ter zitting van 13 mei 2011 is de zaak behandeld. Verschenen zijn de man, bijgestaan door zijn advocaat, en de vrouw, bijgestaan door mr. F.L.M. Broeders. Als tolk in de Spaanse taal was aanwezig mevrouw C.C. van Riel-Reussink. Door mr. Lebouille zijn pleitaantekeningen overgelegd.
De beoordeling
De vaststaande feiten
1. Uit de in 2007 beëindigde affectieve relatie tussen partijen zijn [kind 1] en [kind 2] geboren. De man heeft [kind 1] erkend. De vrouw is alleen met het gezag over de minderjarigen belast. De kinderen hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw in Nederland. De man woont in Spanje.
2. Partijen zijn onder meer met betrekking tot de door de man te betalen kinderalimentatie ten behoeve van [kind 1] en [kind 2] overeengekomen dat deze
€ 150,-- per maand voor beide kinderen bedraagt. De overeenkomst tussen partijen is bekrachtigd in het vonnis van 16 juli 2008 van de rechtbank te Calahorra (Spanje).
3. Bij haar inleidend verzoek heeft de vrouw onder meer verzocht te bepalen dat de kinderalimentatie wordt gewijzigd en dat de man ten behoeve van de kinderen een bedrag van € 580,-- per kind per maand bij vooruitbetaling zal voldoen met ingang van de datum van indiening van het verzoek, althans vanaf de datum van de beschikking. De man heeft tegen dat verzoek geen verweer gevoerd.
4. De rechtbank heeft op het verzoek van de vrouw beslist zoals hiervoor is weergegeven onder 'Het geding in eerste aanleg'. De man heeft tegen die beslissing hoger beroep ingesteld.
De rechtsgang in eerste aanleg
5. Voor zover de man zich op het standpunt heeft gesteld dat hem in eerste aanleg onvoldoende gelegenheid en tijd is geboden zich te voorzien van een advocaat om hem bij te staan in zijn verweer tegen de gevraagde alimentatie, heeft hij geen belang bij behandeling van de klacht. Immers, de man heeft thans in hoger beroep de zaak in zijn geheel ter beoordeling aan het hof voorgelegd en is in de gelegenheid gesteld zijn inhoudelijke bezwaren tegen de beschikking van
14 september 2010 kenbaar te maken. Voorts strekt de procedure in hoger beroep er mede toe eventuele onvolkomenheden uit de eerste aanleg te verbeteren.
Het verzoek tot wijziging op grond van artikel 1:401 BW Pro
6. Een verzoek tot wijziging van een overeenkomst betreffende levensonderhoud dient ingevolge het bepaalde in artikel 1:401 lid 1 BW Pro te worden gegrond op de stelling dat deze overeenkomst nadien door wijziging van omstandigheden is opgehouden aan de wettelijke maatstaven te voldoen dan wel ingevolge het bepaalde in artikel 1:401 lid 5 BW Pro te worden gegrond op de stelling dat deze overeenkomst destijds is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven.
7. De vrouw heeft aan haar wijzigingsverzoek ten grondslag gelegd dat er sprake is van een grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Zij stelt dat zij zich onder druk gezet voelde, doordat het voorstel van de man erop neerkwam dat zij met de kinderen in Nederland mocht blijven indien zij instemde met zijn eisen. Voorts wijst zij erop dat bij het maken van de afspraken met betrekking tot de kinderalimentatie geen rekening is gehouden met de behoefte van [kind 1] en [kind 2] en met het feit dat de kinderen in Nederland zouden gaan wonen.
8. Het hof overweegt hieromtrent het volgende. Aan de grondslag waarop de vrouw haar inleidende verzoek heeft gebaseerd, is een zwaarder toetsingscriterium verbonden. Met de grove miskenning van de wettelijke maatstaven is bedoeld dat, uitgaande van dezelfde gegevens, er geen duidelijke wanverhouding mag bestaan tussen de onderhoudsbijdrage waartoe de rechter zou hebben beslist en die welke partijen zijn overeengekomen. Het betreft dan gevallen waarin partijen onopzettelijk door onjuist inzicht of onjuiste gegevens van de wettelijke maatstaven zijn afgeweken.
9. De vrouw heeft geen berekening overgelegd waaruit de draagkracht van de man ten tijde van het sluiten van de overeenkomst blijkt. Derhalve kan niet worden beoordeeld of er sprake is van een duidelijke wanverhouding tussen de onderhoudsbijdrage waartoe de rechter op dat moment zou hebben beslist en de tussen partijen overeengekomen onderhoudsbijdrage. Voorts heeft de vrouw ter zitting van het hof erkend dat zij ten tijde van het sluiten van de overeenkomst bekend was met de hoogte van de inkomsten van de man. Bovendien werd zij tijdens de onderhandelingen bijgestaan door een advocaat. Daar komt bij dat de man onbetwist heeft gesteld dat partijen deze onderhoudsbijdrage zijn overeengekomen, omdat de man de aflossing van de schulden van partijen op zich heeft genomen. Gelet daarop kan niet worden gezegd dat onopzettelijk door onjuist inzicht of onjuiste gegevens is afgeweken van de wettelijke maatstaven, mocht van een dergelijke afwijking al sprake zijn. De vrouw heeft daarnaast weliswaar gesteld dat zij zich door de man onder druk gezet voelde, maar zij heeft deze stelling niet nader onderbouwd. Nu de man heeft betwist de vrouw onder druk gezet te hebben, is het hof van oordeel dat de vrouw haar stelling onvoldoende heeft onderbouwd.
10. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de vrouw niet heeft aangetoond dat sprake is van een duidelijke wanverhouding tussen hetgeen partijen zijn overeengekomen en hetgeen een rechter zou hebben beslist. Voorts is niet gebleken dat zij onopzettelijk door onjuist inzicht of onjuiste gegevens heeft ingestemd met een overeenkomst waarbij sprake is van een grove miskenning van de wettelijke maatstaven, zodat de overeengekomen bijdrage niet op die grond gewijzigd kan worden.
11. De vrouw heeft niet gesteld dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden waardoor de overeenkomst is opgehouden aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Derhalve kan de overeenkomst ook op die grond niet worden gewijzigd. De door de vrouw gestelde grondslag dat de overeengekomen onderhoudsbijdrage van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens, is geen grondslag waarop een tussen partijen overeengekomen bijdrage betreffende levensonderhoud kan worden gewijzigd. Op grond van artikel 1:401, vierde lid, BW kan immers slechts een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud op die grond worden gewijzigd. Het verzoek van de vrouw kan derhalve niet daarop worden gebaseerd.
12. Anders dan de rechtbank is het hof dan ook van oordeel dat geen gronden zijn gebleken voor wijziging van het tussen partijen gesloten convenant. Het hof zal derhalve het inleidende verzoek van de vrouw alsnog afwijzen.
Slotsom
13. Op grond van het voorgaande dient de beschikking waarvan beroep te worden vernietigd. Er zal opnieuw worden beslist als na te melden.
De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beschikking waarvan beroep;
en opnieuw beslissende:
wijst het inleidend verzoek van de vrouw tot wijziging van het tussen partijen gesloten convenant van 16 juli 2008, zoals bekrachtigd bij de beslissing van
15 oktober 2008 van de rechtbank te Calahorra (Spanje), af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, voorzitter, B.J.J. Melssen en H. van Lokven-van der Meer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
9 juni 2011 in bijzijn van de griffier.