ECLI:NL:GHARN:2011:BR1281
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- J.P.M. Kooijmans
- J. van de Merwe
- G.T.K. Meussen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ondernemingsvermogen bovenwoningen bij aankoop in 1983
Belanghebbende kocht in 1983 een gedeelte van een complex, waaronder verhuurde bovenwoningen, die niet juridisch gesplitst waren, en rekende deze vanaf dat moment tot het ondernemingsvermogen. De Inspecteur handhaafde de aanslag inkomstenbelasting 2006, waarbij het pand als ondernemingsvermogen werd beschouwd. Belanghebbende stelde dat de bovenwoningen vanaf aankoop tot privévermogen hadden moeten behoren en beriep zich op de foutenleer.
Het Hof oordeelde dat de wil van de belastingplichtige in de boekhouding leidend is, tenzij dit onredelijk is. Gezien de verhuurde staat en het feit dat de bovenwoningen zelfstandig rendabel waren, was het redelijk om deze tot het ondernemingsvermogen te rekenen. Er was onvoldoende bewijs dat belanghebbende en zijn partner destijds voornemens waren de bovenwoningen zelf te bewonen.
Ook al woonde belanghebbende later in een deel van de bovenwoning, dit leidde niet tot overschrijding van de redelijkheid om het pand tot het ondernemingsvermogen te blijven rekenen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt dat de bovenwoningen bij aankoop in 1983 terecht tot het ondernemingsvermogen zijn gerekend en verklaart het hoger beroep ongegrond.