ECLI:NL:GHARN:2011:BR4947

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
19 juli 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.073.549
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:233 BWArt. 6:258 BWArt. 7:400 BWArt. 7:406 BWArt. 7:408 BW
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling opzegbaarheid en redelijkheid niet-opzegbeding bij tweejarige cursusovereenkomst

In deze zaak staat centraal of de overeenkomst tot het volgen van een tweejarige cursus kan worden gekwalificeerd als een overeenkomst van opdracht zoals bedoeld in artikel 7:400 BW Pro, en of het niet-opzegbeding daarin onredelijk bezwarend is. Appellante had zich ingeschreven voor een cursus schoonheidsspecialiste, met betaling gespreid over drie jaar, maar stopte voortijdig met deelname en betaling. De kantonrechter wees haar beroep op onvoorziene omstandigheden en de onredelijkheid van het niet-opzegbeding af en veroordeelde haar tot betaling van het resterende cursusgeld.

In hoger beroep stelt appellante dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat geen sprake is van onvoorziene omstandigheden en dat het niet-opzegbeding niet onredelijk bezwarend is. Het hof constateert dat partijen de aard van de overeenkomst niet juridisch hebben gekwalificeerd en dat het hof moet beoordelen of de overeenkomst als opdracht kan worden gezien, waarbij de opdrachtgever te allen tijde kan opzeggen zonder schadevergoeding.

Het hof besluit een comparitie van partijen te gelasten om nadere inlichtingen te verkrijgen en te onderzoeken of partijen tot overeenstemming kunnen komen. De beslissing over het geschil wordt aangehouden totdat deze comparitie heeft plaatsgevonden.

Uitkomst: Beslissing aangehouden en comparitie gelast om nadere inlichtingen te verkrijgen en mogelijke overeenstemming te onderzoeken.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM
Sector civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.073.549
(zaaknummer rechtbank 629965)
arrest van de vijfde civiele kamer van 19 juli 2011
inzake
[appellante],
wonende te [woonplaats],
appellante,
advocaat: mr. A. van Oosten,
tegen:
[geïntimeerde],
enig beherend vennoot van de commanditaire vennootschap College de Paris C.V.,
wonende te [woonplaats],
geïntimeerde,
advocaat: mr. W.I. Wisman.
1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
1.1 Voor de procedure in eerste aanleg en het verloop van het geding in hoger beroep wordt verwezen naar het tussenarrest van dit hof van 28 september 2010.
In dit tussenarrest heeft het hof een comparitie van partijen gelast. Op eenparig verzoek van partijen heeft deze comparitie (na aanbrengen) geen doorgang gevonden en hebben partijen ervoor gekozen om verder te procederen in hoger beroep.
1.2 [appellante] heeft bij memorie van grieven drie grieven tegen het bestreden vonnis geformuleerd, de stukken van de eerste aanleg en de appeldagvaarding overgelegd en overeenkomstig deze dagvaarding geconcludeerd dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis zal vernietigen en (zo begrijpt het hof) de vordering van [geïntimeerde] alsnog zal afwijzen en [geïntimeerde] zal veroordelen in de kosten van de procedure in beide instanties.
1.3 [geïntimeerde] heeft bij memorie van antwoord de grieven bestreden, één nieuwe productie overgelegd en geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, zo nodig met verbetering of aanvulling van gronden, met veroordeling van [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep en met verklaring dat deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad zal zijn, zulks met bepaling dat over die proceskostenveroordeling de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van veertien dagen na datum van het te wijzen arrest.
2. De grieven
[appellante] heeft de volgende grieven aangevoerd.
Grief 1
Ten onrechte heeft de kantonrechter geoordeeld dat geen sprake is van onvoorziene omstandigheden als bedoeld in artikel 6:258 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). Althans, de motivering die de kantonrechter aan zijn beslissing ten grondslag legt, is niet begrijpelijk.
Grief 2
Ten onrechte heeft de kantonrechter geoordeeld dat geen sprake is van te verstrekkende algemene voorwaarden. Althans, de motivering die de kantonrechter aan zijn beslissing ten grondslag legt, is niet begrijpelijk.
Grief 3
Ten onrechte heeft de kantonrechter geoordeeld dat het niet-opzegbeding uit de overeenkomst niet in strijd is met de redelijkheid en billijkheid en dat daarom het beroep van [appellante] op de niet-toepasbaarheid ervan niet kan opgaan alsmede heeft de kantonrechter ten onrechte geoordeeld - zij het op impliciete wijze - dat [appellante] de overeenkomst tussen partijen niet rechtsgeldig heeft opgezegd op 11 mei 2004, in dier voege dat [appellante] vanaf dat moment niet al dan niet partieel werd bevrijd van haar betalingsverplichtingen jegens [geïntimeerde]. Althans, de motivering die de kantonrechter aan zijn beslissing ten grondslag legt, is niet begrijpelijk.
3. De vaststaande feiten
3.1 Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist, staan in hoger beroep de navolgende feiten vast.
3.2 [appellante] heeft een aanmeldingsformulier van College de Paris ingevuld, gedateerd op 30 augustus 2003, ondertekend en vervolgens toegestuurd aan College de Paris.
Op dit formulier heeft [appellante] aangegeven dat zij wil deelnemen aan de opleiding tot schoonheidsspecialiste en daarbij de volgende keuzes aangekruist:
“Tweejarige dagcursus met één vaste dag in de week, aanvang in okt.
Overeenkomst voor de gehele cursusduur.
(…)
Ik betaal de onderwijsbijdragen met de aangepaste afbetaling, zie hieronder bij **
(…)
** Aangepaste afbetaling tweejarige cursus:
Ik verzoek spreiding van de betaling over een periode van drie jaar:
Bij inschrijving € 180 en 36 termijnen van € 165 eind okt 2003 t/m
eind sep 2006;
(…)”
3.3 Op 3 september 2003 heeft [appellante] op de school van College de Paris te Den Haag een intakegesprek gehad en vervolgens een overeenkomst - overeenkomstig haar keuzes in het onder 3.2 genoemde aanmeldingsformulier - met aanhef “Algemene voorwaarden” ondertekend en het inschrijfgeld voldaan.
3.4 Artikel 3 van Pro de algemene voorwaarden houdt in:
“De overeenkomst eindigt met betrekking tot het te geven onderwijs door ommekomst van de in artikel 1 beschreven Pro volledige cursusduur, met betrekking tot de betalingsverplichtingen van de cursist op het moment waarop de cursist aan alle financiële verplichtingen jegens de school heeft voldaan, en kan niet door de school noch door de cursist worden opgezegd.”
3.5 [appellante] heeft op 25 maart 2004 voor het laatst aan de opleiding deel genomen. Zij heeft de termijn over maart 2004 niet voldaan. Eind mei 2004 heeft [appellante] voor het laatst een maandtermijn voldaan.
3.6 Bij brief van 11 mei 2004 aan College de Paris verklaart [appellante] haar afwezigheid bij de cursus, legt zij haar persoonlijke situatie uit en vraagt om de automatische incasso te stoppen omdat zij € 165,- per maand niet meer kan missen.
4. De motivering van de beslissing in hoger beroep
4.1 [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg nakoming gevorderd van de overeenkomst met [appellante] en onder andere betaling gevorderd van € 4.950,-, het ingevolge de overeenkomst nog verschuldigde cursusgeld. De kantonrechter heeft deze vordering toegewezen en daarbij -kort weergegeven- overwogen dat de overeenkomst niet door [appellante] tussentijds kon worden opgezegd, dat artikel 3 van Pro de toepasselijke algemene voorwaarden niet onredelijk bezwarend is en dat [appellante] geen beroep op onvoorziene omstandigheden als bedoeld in artikel 6:258 BW Pro toekomt. In hoger beroep komt [appellante] op tegen deze oordelen van de kantonrechter.
4.2 In het kader van de vraag of artikel 3 van Pro de algemene voorwaarden onredelijk bezwarend is als bedoeld in artikel 6:233 onder Pro a BW moet onder andere worden gelet op “de aard” van de overeenkomst. De aard van de overeenkomst komt ook aan de orde in het kader van de vraag of sprake is van onvoorziene omstandigheden die noodzaken tot wijziging of ontbinding van de overeenkomst, aldus artikel 6:258 lid 2 BW Pro.
4.3 Partijen hebben zich over de aard van de overeenkomst nog niet uitgelaten anders dan dat het betreft een overeenkomst tot het volgen van een tweejarige cursus. Partijen hebben deze overeenkomst niet nader juridisch gekwalificeerd en zich niet de vraag gesteld of het een bijzondere overeenkomst betreft waarvoor Boek 7 BW een regeling geeft.
4.4 Indien de overeenkomst tot het volgen van een tweejarige cursus moet worden gekwalificeerd als een overeenkomst van opdracht zoals bedoeld in artikel 7:400 BW Pro geldt dat artikel 7:408 lid 1 BW Pro bepaalt: “De opdrachtgever kan te allen tijde de overeenkomst opzeggen.” Ingevolge artikel 7:413 lid 2 BW Pro kan van deze bepaling niet ten nadele van de opdrachtgever worden afgeweken. Uit artikel 7:408 lid 3 BW Pro volgt dat de opdrachtgever, “onverminderd artikel 406, ter zake van een opzegging geen schadevergoeding verschuldigd is”. Ingevolge artikel 7:413 lid 1 BW Pro kan hiervan niet worden afgeweken.
4.5 Hof hof heeft behoefte aan inlichtingen en zal een comparitie van partijen bepalen. Bij die gelegenheid kunnen partijen zich nader uitlaten over hetgeen onder 4.2 – 4.4 is overwogen. De comparitie zal ook worden aangewend om te onderzoeken of partijen tot overeenstemming kunnen komen. Een partij die bij gelegenheid van die comparitie nog een proceshandeling wenst te verrichten of producties in het geding wenst te brengen, dient ervoor te zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een afschrift van de te verrichten proceshandeling of de in het geding te brengen producties hebben ontvangen.
5. De beslissing
Het hof, recht doende in hoger beroep:
bepaalt dat partijen in persoon tezamen met hun advocaten zullen verschijnen voor het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. H. Wammes, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem op een nader door deze te bepalen dag en tijdstip, zulks tot het geven van inlichtingen als onder 4.5 aangegeven en opdat kan worden onderzocht of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden;
bepaalt dat partijen de verhinderdagen van partijen en hun advocaten in de maanden september, oktober en november 2011 zullen opgeven op de roldatum 16 augustus 2011, waarna dag en uur van de comparitie (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld;
houdt verder iedere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. I.A. Katz-Soeterboek, P.L.R. Wefers Bettink en H. Wammes en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 19 juli 2011.