ECLI:NL:GHARN:2011:BR5479
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vrijval herinvesteringsreserve wegens verstreken herinvesteringstermijn
Belanghebbende voerde in hoger beroep aan dat de herinvesteringsreserve (HIR) niet vrij moest vallen omdat hij een begin van uitvoering had gegeven aan de aanschaf van een vervangend bedrijfspand, maar dat de voortgang door bijzondere omstandigheden, zoals bodemverontreiniging, was vertraagd.
Het Gerechtshof oordeelde dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat ultimo 2003 een begin van uitvoering was gegeven. De huur van het pand en de brief van december 2004 toonden aan dat er toen nog geen uitvoering was gestart. Ook was niet aannemelijk dat bodemverontreiniging de aanschaf had vertraagd. De rechtbank had terecht geoordeeld dat de HIR moest vrijvallen omdat de vierjaarstermijn was verstreken.
Daarnaast stelde het hof vast dat de uiteindelijke aankoop door een aan belanghebbende gelieerde BV niet als voortzetting van het vervangingsvoornemen kon worden gezien. Het beroep op heffingsrente werd eveneens ongegrond verklaard. Het hof bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de vrijval van de herinvesteringsreserve wordt bevestigd.