ECLI:NL:GHARN:2011:BT2904
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- J.H. Lieber
- H. van Loo
- J.G. Luiten
- Rechtspraak.nl
Bevestiging gerechtelijke erkenning betalingsverplichting pensioenrechten in echtscheidingsconvenant
In deze civiele zaak staat centraal of de man aan de vrouw een bedrag van f. 95.000,- (€ 43.109,12) plus rente verschuldigd is op grond van het echtscheidingsconvenant van 1997, gewijzigd in 2000, vanwege pensioenrechten opgebouwd in een BV waarvan de man directeur en aandeelhouder is.
De rechtbank had geoordeeld dat de man de vordering van de vrouw had erkend en wees de vordering toe. De man bestreed de vordering niet inhoudelijk, maar verwees naar zijn financiële situatie en stelde dat hij zou betalen zodra hij daartoe in staat was, onder meer bij verkoop van zijn woning. Tijdens de comparitie erkende hij expliciet de vordering en de contractuele rente, maar deed een beroep op redelijkheid en billijkheid.
Het hof oordeelt dat deze verklaringen een gerechtelijke erkenning vormen, die niet zonder meer kan worden herroepen wegens het belang van een goede procesorde. De man heeft onvoldoende feiten gesteld om herroeping te rechtvaardigen. Ook het bezwaar dat de vrouw misbruik van procesrecht zou hebben gemaakt faalt, omdat geen sprake is van kennis of verwijtbaarheid van een eventuele vergissing over de opeisbaarheid van de vordering.
Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Arnhem van 20 mei 2009, compenseert de kosten van het hoger beroep zodat partijen ieder hun eigen kosten dragen, en wijst het meer of anders gevorderde af.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en bevestigt de betalingsverplichting van de man aan de vrouw.