ECLI:NL:GHARN:2011:BU3640

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
27 oktober 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.083.615/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:448 BWArt. 1:461 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging ontslag bewindvoerder en mentor wegens verstoorde familieverhoudingen

In deze zaak stond het hoger beroep centraal tegen een beschikking van de rechtbank Zwolle-Lelystad waarbij de appellant, de kleinzoon, was ontslagen als bewindvoerder en mentor van de rechthebbende, zijn grootmoeder. De rechtbank had Balans Casemanagement BV en een medewerker daarvan als respectievelijk bewindvoerder en mentor benoemd.

Het hof stelde vast dat de kleinzoon en andere familieleden, waaronder een andere kleinzoon en een schoondochter, een verstoorde verstandhouding hadden, waarbij geen contact meer bestond. Deze verstoorde relatie leidde tot spanningen die negatief konden doorwerken op de rechthebbende. Hoewel de appellant stelde dat er geen onaangename situaties meer zouden ontstaan, achtte het hof dit niet aannemelijk.

Het hof oordeelde dat de kleinzoon niet tot de groep personen behoorde die een verzoek tot ontslag van de bewindvoerder konden indienen, maar dat de kantonrechter ambtshalve kon beslissen naar aanleiding van meldingen van de andere familieleden. Gezien de omstandigheden was het ontslag van de appellant als bewindvoerder en mentor terecht en werd de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.

De procedure kende meerdere schriftelijke stukken en een verhoor van de rechthebbende in het verpleeghuis, waarbij een raadsheer-commissaris van een ander hof betrokken was. De zaak werd behandeld op 14 september 2011, waarbij de appellant wel aanwezig was, maar andere belanghebbenden niet verschenen.

Het hof benadrukte het belang van het beginsel van hoor en wederhoor, maar vond dat eventuele procesrechtelijke tekortkomingen in eerste aanleg door het hoger beroep waren gecompenseerd.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het ontslag van de kleinzoon als bewindvoerder en mentor vanwege verstoorde familieverhoudingen.

Uitspraak

Beschikking d.d. 27 oktober 2011
Zaaknummer 200.083.615
HET GERECHTSHOF ARNHEM
Nevenzittingsplaats Leeuwarden
Beschikking in de zaak van
[de kleinzoon],
wonende te [woonplaats],
appellant,
hierna te noemen: [kleinzoon X],
voorheen advocaat mr. B. de Vos, kantoorhoudende te Amsterdam,
thans advocaat mr. H. Ruiter, kantoorhoudende te Amsterdam.
Belanghebbenden:
1. [belanghebbende 1],
wonende te Aalsmeer,
hierna te noemen: de rechthebbende,
2. [belanghebbende 2],
wonende te Hoofddorp,
hierna te noemen: [kleinzoon Y],
voorheen advocaat mr. I.D.C.J. van Driel, kantoorhoudende te Rotterdam,
thans geen advocaat,
3. [belanghebbende 3],
wonende te Hoofddorp,
hierna te noemen: de schoondochter,
voorheen advocaat mr. I.D.C.J. van Driel, kantoorhoudende te Rotterdam,
thans geen advocaat,
4. Balans Casemanagement BV,
kantoorhoudende te Lelystad,
hierna te noemen: de bewindvoerder,
5. [belanghebbende 5],
werkzaam bij Balans Casemanagement BV,
kantoorhoudende te Lelystad,
hierna te noemen: de mentor of [belanghebbende 5].
Het geding in eerste aanleg
Bij beschikking van 22 december 2010 heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad, sector kanton, locatie Lelystad, [kleinzoon X] met ingang van 22 december 2010 ontslagen als bewindvoerder en mentor van de rechthebbende. Bij die beschikking is Balans Casemanagement BV tot bewindvoerder benoemd en [belanghebbende 5] tot mentor.
Het geding in hoger beroep
Bij beroepschrift, binnengekomen bij de griffie op 10 maart 2011, heeft [kleinzoon X] verzocht de beschikking van 22 december 2010 te vernietigen.
Het hof heeft tevens kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een faxbericht met bijlage van 10 augustus 2011 van [belanghebbende 5], een brief van 18 augustus 2011 van mr. De Vos, een brief van 19 augustus 2011 van mr. Ruiter en een brief van 30 augustus 2011 van [kleinzoon Y].
Op 7 september 2011 is de rechthebbende gehoord door een raadsheer-commissaris. Aangezien gebleken is dat de rechthebbende buiten staat is zich naar het gerechtsgebouw te begeven, heeft de ondervraging in het verpleeghuis waar zij verblijft plaatsgevonden. Omdat de raadsheer-commissaris van hof Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden zich daartoe buiten zijn rechtsgebied moest begeven, heeft een raadsheer-commissaris van hof Amsterdam de ondervraging verricht. Het proces-verbaal van dit verhoor bevindt zich bij de stukken.
Ter zitting van 14 september 2011 is de zaak behandeld. Verschenen is [kleinzoon X], vergezeld van zijn echtgenote, [de echtgenote], en bijgestaan door zijn advocaat. [kleinzoon Y] en [belanghebbende 5] zijn - met bericht - niet verschenen. Evenmin zijn de rechthebbende en de schoondochter verschenen.
De beoordeling
De vaststaande feiten
1. Bij beschikking van 11 mei 2010 heeft de rechtbank op verzoek van [kleinzoon X] het vermogen van de rechthebbende onder bewind gesteld en [kleinzoon X] tot bewindvoerder benoemd.
2. Bij afzonderlijke beschikking van 11 mei 2010 heeft de rechtbank op verzoek van [kleinzoon X] ten behoeve van de rechthebbende een mentorschap ingesteld en [kleinzoon X] tot mentor benoemd.
3. Op 9 juni 2010 is bij de griffie van de rechtbank een brief van mr. S.W. Autar-Matawlic binnengekomen, waarin zij aangeeft dat [kleinzoon Y] en de schoondochter niet als belanghebbende zijn gehoord over de verzochte beschermingsmaatregelen. Bij deze brief heeft mr. Autar-Matawlic de rechtbank verzocht [kleinzoon Y] en de schoondochter alsnog te horen en de verzoeken van [kleinzoon X] alsnog af te wijzen.
4. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank beslist als hiervoor vermeld onder het kopje “Het geding in eerste aanleg”.
Het oordeel van het hof
Het beginsel van hoor en wederhoor
5. Voor zover [kleinzoon X] erover klaagt dat hij ter zitting in eerste aanleg niet in de gelegenheid is gesteld te reageren op de door mevrouw [A] en mevrouw [B] afgelegde verklaringen, zodat de rechtbank het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden, heeft hij geen belang bij verdere behandeling van de klacht. Nog los van het antwoord op de vraag of de rechtbank bij de totstandkoming van de beschikking inderdaad heeft gehandeld in strijd met voornoemd beginsel, heeft [kleinzoon X] thans in hoger beroep de zaak in zijn geheel ter beoordeling aan het hof voorgelegd. Hij is daarbij in de gelegenheid gesteld zijn inhoudelijke bezwaren tegen de beschikking kenbaar te maken. Daarbij komt dat de procedure in hoger beroep er mede toe strekt eventuele (processuele) onvolkomenheden uit de eerste aanleg te verbeteren. Het hof verbindt aan de klacht verder dan ook geen gevolgen.
Ten aanzien van het ontslag van de bewindvoerder
6. Vastgesteld moet worden dat [kleinzoon Y] en de schoondochter niet behoren tot de groep personen die een verzoek tot ontslag van de bewindvoerder c.q. mentor als bedoeld in artikel 1:448 respectievelijk Pro 1:461 BW kunnen doen. Het hof zal de bestreden beschikkingen evenwel opvatten als ambtshalve beslissingen van de kantonrechter naar aanleiding van meldingen van [kleinzoon Y] en de schoondochter.
7. Het hof stelt voorop dat een beschermingsmaatregel wordt ingesteld ter bescherming van de rechthebbende. Het kan derhalve niet de bedoeling zijn dat de bewindvoerder c.q. mentor een dermate verstoorde verstandhouding heeft met de andere familieleden, dat de vervulling van zijn taak als bewindvoerder c.q. mentor tot onaangename situaties leidt voor de rechthebbende.
8. Daargelaten het antwoord op de vraag of [kleinzoon X] is tekortgeschoten in zijn taak als bewindvoerder en mentor, is het hof van oordeel dat de verstandverhouding tussen enerzijds [kleinzoon X] en anderzijds [kleinzoon Y] en de schoondochter zodanig is verstoord dat er sprake is van gewichtige redenen om [kleinzoon X] te ontslaan als bewindvoerder en mentor.
9. Uit de stukken komt naar voren dat [kleinzoon X] en [kleinzoon Y] in onmin met elkaar leven en dat er thans in het geheel geen contact meer tussen hen is. Ook [kleinzoon X] en de schoondochter hebben geen contact meer met elkaar. [Kleinzoon X] heeft ter zitting aangegeven dat hij op moederdag van dit jaar voor het laatst contact met [kleinzoon Y] en de schoondochter heeft gehad. Hij heeft meegedeeld dat [kleinzoon Y] en de schoondochter de rechthebbende op die dag hadden opgehaald, terwijl hijzelf op dat moment haar bij hem thuis zou ontvangen. [Kleinzoon X] heeft de rechthebbende vervolgens bij [kleinzoon Y] en de schoondochter zonder nader overleg opgehaald. Alhoewel [kleinzoon X] stelt dat dit ophalen zonder verdere incidenten is verlopen, kan het niet anders dan dat deze situatie en de daarbij horende spanningen een negatieve weerslag op de rechthebbende hebben gehad.
10. Het hof heeft ter zitting geconstateerd dat [kleinzoon X] emotioneel zeer betrokken is bij de rechthebbende, maar dat deze emotionele betrokkenheid in combinatie met de ontstane situatie snel tot irritaties bij [kleinzoon X] leiden. Gelet op deze omstandigheden, gecombineerd met de verstoorde verstandhouding binnen de familie, valt naar het oordeel van het hof redelijkerwijs te verwachten dat meer onaangename situaties zullen ontstaan die een negatieve weerslag op de rechthebbende zullen hebben, indien [kleinzoon X] bewindvoerder en mentor zou blijven. De stelling van [kleinzoon X] dat zich geen onaangename situaties meer zullen voordoen, omdat [kleinzoon Y] onlangs vader is geworden en zich daarom niet meer met de rechthebbende zal bezighouden, acht het hof niet aannemelijk.
11. De rechtbank heeft dan ook terecht besloten tot het ontslag van [kleinzoon X] als bewindvoerder en mentor. Nu de rechthebbende geen uitdrukkelijke voorkeur heeft uitgesproken over de persoon van de bewindvoerder c.q. mentor, heeft de rechtbank eveneens terecht een onafhankelijke derde tot bewindvoerder en mentor benoemd.
Slotsom
12. Gelet op voorgaande dient de beschikking waarvan beroep te worden bekrachtigd.
De beslissing
Het gerechtshof:
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.H. Garos, voorzitter, R. Feunekes en H.J. de Ruijter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 27 oktober 2011 in bijzijn van de griffier.