ECLI:NL:GHARN:2011:BU5009
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- W.L. Valk
- A.W. Steeg
- P.H. Veling
- Rechtspraak.nl
Vaststelling pachtovereenkomst en minnelijke indeplaatsstelling in hoger beroep
In deze civiele zaak stond de vraag centraal of geïntimeerde minnelijk in de plaats van zijn vader was gesteld als pachter van landbouwgrond. Het hof verwees naar het tussenarrest van maart 2011 en nam getuigenverklaringen in, waarbij geïntimeerde, zijn vader en diens echtgenote als partijgetuigen werden gehoord. De verklaringen van geïntimeerde en zijn vader werden ondersteund door het feit dat geïntimeerde vanaf 1999 de pachtprijs rechtstreeks aan verpachter betaalde, wat de geloofwaardigheid van hun verklaringen versterkte.
De tegenpartij bracht getuigenverklaringen in die slechts indirect relevant waren en onvoldoende gewicht hadden om het bewijs van geïntimeerde te weerleggen. Het hof stelde vast dat de minnelijke indeplaatsstelling eind december 1999 heeft plaatsgevonden, niet per 1 januari 1999 zoals eerder gesteld.
Het hof vernietigde het vonnis van september 2010 voor zover het de vastlegging van de overeenkomst tussen geïntimeerde en appellant B betrof en legde een pachtovereenkomst vast met ingang van het seizoen 1980 en een pachtwijzigingsovereenkomst van december 1999. Tevens werd een pachtprijs vastgesteld voor twee percelen, met een aanbeveling aan de grondkamer om bij toekomstige toetsing een aparte pachtprijs per perceel te bepalen.
Verder werd het hoger beroep van appellant A en B tegen een vonnis van december 2009 verworpen wegens gebrek aan grief. Het hof beval de verwijdering van afrasteringen geplaatst door appellant B en legde een maximum aan de dwangsommen verbonden aan ontruiming. Tot slot werden appellant A en B veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof stelt vast dat geïntimeerde minnelijk in de plaats van zijn vader is gesteld als pachter sinds eind december 1999 en legt de pachtovereenkomst en pachtwijzigingsovereenkomst vast.