ECLI:NL:GHARN:2011:BU7762
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- W.L. Valk
- H.L. van der Beek
- D. van Emden
- L.L.M. de Lorijn
- H.K.C. Roelofsen
- Rechtspraak.nl
Beëindiging pachtovereenkomst afgewezen; medepachterschap toegewezen ondanks mager agrarische opleiding
In deze zaak stond de beëindiging van een pachtovereenkomst centraal, waarbij de verpachters een aanbod tot het aangaan van een nieuwe geliberaliseerde pachtovereenkomst deden, dat volgens het hof onvoldoende concreet was. Het hof oordeelde dat de brief met het voorstel niet voldeed aan de eisen van een redelijk aanbod zoals bedoeld in art. 7:370 lid 1 BW Pro, mede vanwege het ontbreken van essentiële elementen zoals looptijd en prijs.
Daarnaast werd overwogen dat een aanbod tot het aangaan van een geliberaliseerde pachtovereenkomst zelden als redelijk kan worden aangemerkt, omdat dit een verslechtering van de rechtspositie van de pachter inhoudt. De belangenafweging in het kader van art. 7:370 lid 1 aanhef Pro en onder c BW viel uit in het voordeel van de pachter, mede gelet op diens belang bij voortzetting van de pacht samen met de voorgestelde medepachter.
De vordering tot aanmerken van de voorgestelde medepachter werd toegewezen, ondanks diens beperkte agrarische opleiding en het feit dat hij een klusbedrijf uitoefent. Het hof achtte hem voldoende waarborgen bieden voor een behoorlijke bedrijfsvoering. De subsidiaire vordering tot indeplaatsstelling behoefde geen bespreking meer.
De incidentele vordering tot voeging werd afgewezen omdat de voorgestelde medepachter reeds partij was door oproeping. De kosten van het geding werden aan de zijde van de verpachters (geïntimeerden) opgelegd.
Uitkomst: De vordering tot beëindiging van de pachtovereenkomst wordt afgewezen en de voorgestelde medepachter wordt als medepachter aangemerkt.