ECLI:NL:GHARN:2011:BU8977
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden en suppletieregeling bevestigd
De werknemer trad op 5 oktober 2009 in dienst bij M&R Micro-Imaging B.V. met een contract voor bepaalde tijd tot 2 april 2010. Op 20 november 2009 vond een gesprek plaats waarbij werd overeengekomen de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden te beëindigen, hetgeen door de werknemer in een e-mail bevestigd werd. De werknemer stelde later dat hij op die dag op staande voet was ontslagen, maar dit werd door het hof verworpen vanwege onvoldoende onderbouwing en tegenstrijdige e-mails.
De werknemer voerde aan onder druk te zijn gezet en onvoldoende geïnformeerd over zijn WW-rechten, maar het hof oordeelde dat de werkgever mocht aannemen dat de werknemer de consequenties begreep gezien zijn opleiding en ervaring. De werknemer had bovendien voorafgaand aan indiensttreding zijn WW-rechten niet correct weergegeven.
De werkgever had een suppletieregeling toegezegd voor het verschil tussen WW-uitkering en salaris, maar weigerde deze na beëindiging na te komen. Het hof oordeelde dat de werkgever gehouden is tot betaling van de suppletie, ook al ontving de werknemer uiteindelijk geen WW-uitkering. De vorderingen van de werknemer werden grotendeels afgewezen, behalve de suppletiebetaling die werd toegewezen. De proceskosten in hoger beroep werden gecompenseerd.
Uitkomst: Het hof bevestigt beëindiging met wederzijds goedvinden en veroordeelt M&R tot betaling van de suppletieregeling van €3.267,00 bruto.